Weblog van Fred Tak
Laatste artikelen

Tijdens de advent, de vier weken voor Kerstmis, bereiden we ons voor op het ontvangen van het licht dat in de nacht van 24 december onze harten wil binnenstromen.
Maar de advent zelf kent ook een aanloop. Met het feest van Sint-Maarten namelijk deden we vanuit het strijdgewoel waar Michaël ons in stortte voor het eerst een stap terug. We brachten een offer, we legden iets van ons uiterlijk af. Met dat offer schiepen we ruimte in ons innerlijk en plaatsten daar vervolgens voorzichtig een lichtje in.

Dat is onze eerste voorbereiding op het kerstfeest. Maar het aangebrachte lichtje in ons vervliegt weer snel, want onze omhulling, onze mantel, is nog niet volledig.
Tijdens de advent zelf vergroten we stap voor stap de innerlijke ruimte in onszelf. Bepaalde rituelen helpen ons daarbij, zoals het ontsteken van kaarsen in de adventskrans, het maken van transparanten voor het raam, wellicht een adventskalender of het zingen van adventsliedjes.
We proberen onszelf leeg te maken om in ons binnenste een kom te creëren waarin de kerstboodschap ontvangen kan worden. Het moet daar stil zijn, doordrongen van rust en weidsheid. Elk straaltje zuiverheid dat wil binnendringen, moet welkom worden geheten.
Deze stemming komt tot uiting in het volgende adventsliedje:

Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht.
Stil nu, stil nu, ’t ruist al door de lucht.
’t Wonder komt heel zachtjes aan.
’t Kerstkind wil naar binnen gaan.
Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht.

Deze stemming vast te houden, te koesteren, vraagt om een fijnmazige omhulling opdat die teerheid niet door de drukke, rumoerige, harde buitenwereld wordt weggedrukt.
En druk is het, die laatste weken voor Kerstmis. Er wordt ons nauwelijks tijd gegund stil te staan. We rennen en vliegen, er moet van alles worden gedaan. Kerstinkopen, het optuigen van de kerstboom, kaarten en uitnodigingen versturen, jaarbalansen opmaken, enzovoort.
Hoe moeilijk is het om juist in deze drukke tijd aan dit subtiele proces van het scheppen van ontvankelijkheid bescherming te geven? Wellicht is dat het meest essentiële van Kerstmis: het leren omsluiten van wat als een kiem van liefde in ons geboren wil worden.

Om erachter te komen hoe hiermee om te gaan, kunnen we een zwangere vrouw als voorbeeld nemen. Tijdens de zwangerschap en de eerste levensjaren omhult de moeder haar kind met haar hart, met haar liefdesstromen van zorg en aandacht. Zij weeft als het ware een ragfijn kleed om het kind heen, waarbinnen het kind zich beschermd en veilig voelt. De mantel van de Madonna wordt dit etherische kleed genoemd, naar de treffende schilderijen die Raphael van de Madonna met het kind heeft gemaakt.
Dit is geen bedenksel, het is een reëel aanwezige omhulling, herkenbaar voor een ieder die hier voelsprieten voor heeft. Iedereen die met kleine kinderen te maken heeft kan dit misschien aanvoelen.
Deze mantel van de Madonna kunnen we om ons heen vlechten. Of we nu man of vrouw zijn, jong of oud, wel of geen kinderen hebben, tijdens de advent zijn we allemaal in verwachting. Met de rust en bezonkenheid die een zwangere vrouw zo kenmerken. Met een overgave aan hetgeen geboren wil worden. De hemel wil geboren worden, de sterren willen in ons weerklinken. Het is onze oorsprong die we met Kerstmis kunnen ontvangen, kunnen herkennen. Onze eerste levenskiem, vrij van schuld en zonde. Dát is wat ons zo aanspreekt, wat ons direct in ons hart raakt: dat we in feite het volmaakt reine kind in onszelf geboren laten worden.
Vandaar onze betrokkenheid met Maria, de moeder van Jezus. We herkennen ons in haar, in dat gevoel van het neerdalen van het hemelse licht in ons aardse gemoed.
Treffend, zowel qua sfeer als inhoud, is in dit verband het volgende adventsliedje:

Over sterren, over zonne,
zachtjes gaat Maria’s voet.
Louter goud en lichte vreugde
brengt zij aan haar kindje zoet.
Als Maria blijde wandelt,
hoog door ’t godd’lijk licht omstraald,
weeft zij’t kleed uit sterrenzegen,
waar Gods kind in nederdaalt.

Dit kleed uit sterrenzegen, dat is de mantel van de Madonna. Wanneer we dit kleed van zorg en liefde om ons heen dragen, rond ons ontvangend hart, dan deert ons weinig nog. De buitenwereld kan ons opjagen, aan ons morrelen wat ze wil, ons eigen kindekijn ligt veilig en beschermd in onze zelf gecreëerde kribbe. Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk, zeker in de drukke dagen van december. Het gaat dan ook om de herkenning hoe de drukte van buiten, van het alledaagse gedoe, gefilterd door onze mantel ons binnenste kan binnensijpelen. Hoe de buitenwereld in onze mantel kan transformeren tot weldadige vlokken die zacht neerstrijken in ons open gemoed. Als sneeuwvlokken, wit en stralend als de sterren zelf.

‘I’m dreaming of a white Christmas’, zong Bing Crosby lang geleden zijn wereldhit. Inderdaad, daar dromen wij van, daar verlangen wij naar: dat datgene wat uit de hemel geboren wil worden door onze gezamenlijke mantel een aardse bedding krijgt met de reinheid en zachtheid van sneeuw. Dat ons diepste gemoed een afspiegeling is van de lichtheid van de sterren.
Wanneer het tijdens de kerstdagen daadwerkelijk sneeuwt, herkennen we het. Onze hoop wordt spontaan en collectief wakker. We barsten los, juichen haast van blijdschap en verbondenheid. Want we voelen: het zal eens vervuld worden, vrede op aarde, voor alle mensen van goede wil.



Uit: Fred Tak – Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, uitgeverij Christofoor, september 2017




























Reacties

Volgens Paul McCartney is God only knows van The Beach Boys de mooiste en beste popsong aller tijden. Ik weet niet of dat zo is. Zelf vind ik bijvoorbeeld Because van The Beatles ook erg mooi. En nog zo veel andere popsongs van andere artiesten.
Hoe bijzonder God only knows toch wel is, blijkt uit onderstaande a capella mix. Zo puur, met de spatzuivere engelenstem van Carl Wilson, de broer van de geniale Brian Wilson. Inderdaad briljant.

https://www.youtube.com/watch?v=OvNXPkK7JY8   
 

Reacties

(Zit op stoel, half voorover gebogen, ellepijpen op beide dijbenen, hoofd half naar beneden).
“Was ik maar dood.”

(Zucht, stilte van 5 seconden).
“Gisteren op straat… weer uitgescholden. Door zo’n groepje jongens. Hé trut, ga terug naar je eigen land.”
(Korte stilte).
“Ik word daar echt niet goed van. Alsof ik geen Nederlander ben. Alsof ik hier niet thuishoor. Ik kan daar zo boos om worden. Boos en verdrietig tegelijk. Dan denk ik dus, was ik er maar niet, was ik maar dood of zo, dat zou alles makkelijker maken.”

(Gaat rechtop zitten, kijkt de zaal in, een beetje uitdagend).
“Oké, ik draag dus een hoofddoek. Daar ben ik best wel trots op. Ik ben tenminste geen grijze muis. Vooral niet opvallen, dat lijkt tegenwoordig “in” te zijn. Want o, wat is iedereen bang om anders te zijn. (Klinkt een beetje boos). Anders dan anderen. Om daar op aangesproken te worden. Nou, ik val op ja, met mijn hoofddoek. En ik ben daar trots op, maar dat had ik al gezegd.”

(Staat op, loopt een rondje om de stoel, houdt leuning met één hand vast).
“Thuis word ik er best wel in vrijgelaten. De keuze is aan jou, zegt mijn moeder. Mijn vader bemoeit zich er niet mee. Als ik me maar gedraag, niet voor moeilijkheden zorg, elke week naar de moskee ga, dan vindt hij alles goed. Mijn twee zussen dragen ook een hoofddoek, net als mijn moeder. Ik wil binnen ons gezin niet afwijken. We zijn hecht met elkaar. Zonder hoofddoek heb ik het gevoel mijn moeder en zussen te verraden. Dat wil ik niet. Het hoort bij ons.”

(Gaat weer zitten, een klein beetje ingezakt, kijkt de zaal in).
“Ik twijfel vaak. Of de maatschappij ooit verandert. Dat het dan wel geaccepteerd wordt. Dat je voor jezelf mag opkomen. Met of zonder hoofddoek, het zou toch niet uit moeten maken.”

(Korte zucht, praat langzaam).
“Straks ga ik naar huis. Dan staat dat groepje jongens er weer. Ik zie er nu al tegenop.”
 
(Slaat handen voor het hoofd, buigt lichtjes voorover, klinkt vertwijfeld).
“Ik weet niet wat ik moet doen, ik weet het niet… Oh, was ik maar…”

(Schudt het hoofd, blijft nog 5 seconden zo zitten).


















Reacties

De laatste tijd lees ik veel in het werk van de Vlaamse schrijver/dichter/regisseur Peter Verhelst (1962). Van zijn laatste drie dichtbundels, Zoo van het denken (2011), Wij totale vlam (2014) en Zing Zing (2016), is de middelste mij het liefst.

Het is lastig te omschrijven waarom de poëzie van Verhelst mij zo aanspreekt. Het is het niet ingevulde, de ruimte die je zelf als lezer krijgt aangereikt. Het zijn in elkaar vervloeiende zinnen en beelden. Er is het ongrijpbare dat enerzijds boeit, anderzijds steeds nieuwe vragen oproept. Het is vaak fysieke poëzie, met een 'jij' die zo dichtbij is dat er 'aangeraakt' kan worden.  
Een voorbeeld hiervan, het middengedeelte uit het gedicht Ik ben blij dat je.

Je vingers bewegen. Je ligt diep op de bodem en uit je mond komt, van zo diep komt
het uit je, heel traag.
Ik dacht, ik kon niet anders, als ze maar nooit... Als ik maar ooit

iets kan worden van wat je wilt. Van zo diep komt het uit je ooghoeken
en uit je mondhoeken en uit je onderrug,
uit je buik. Je vingertoppen bewegen. Je brekende ogen.

Wil je dat altijd voor me blijven doen, die brekende ogen?
En die vingers.

Dit vind ik nou prachtige poëzie. De hele bundel Wij totale vlam staat bol van dit soort gedichten. Vol van zoekende puurheid, vol verwondering ook. Veel witregels tussendoor, om de lezer uit te laten ademen, even bij te laten komen. Niets is ingevuld, het leven lijkt één groot vraagteken. Zoals in het gedicht Weet jij al.


Op wie wil je lijken als ze je vinden?

Je staat naast een auto op een heuvel en er is geen wonder.

Verlies dit
en verlies ook dat - heeft het een naam als het zich aan je geeft,
de armen om je hals, de hielen ervan in je rug - wijd open,
dat was het wonder, dat het zich zo graag helemaal verloor.

Je loopt door het hoge gras alsof je een zee in loopt.
Bij het weggaan zul je één keer omkijken
en zijn je ogen lichtgevend.

Je rijdt tussen zilverberken door
naar waar het glinstert.

Iets zachts in de lucht zingt
dat zo´n tijd nooit meer weer komt.

Wat heb je gezien toen je daar was?

Het is goed. Het zweeft boven het riet
en het is goed
naar de glinstering te kijken.


Het blijft vaag waar dit gedicht nu precies over gaat. Een herinnering aan iets wat je bent kwijtgeraakt? Het is niet duidelijk. Des te sterker is er de gevoelsbeleving. Het zweeft in de lucht, boven het riet, een glinstering. Het blijft zoeken.
Tekenend voor dit zoekende karakter van de gedichten van Verhelst is de laatste uit de bundel, zonder titel.

Ik weet niet of ik zal terugkeren, hoe of wanneer dat zal zijn, ik weet niet wie ik zal
zijn geworden, wanneer ik op een ochtend weer thuiskom, en wat er van jou zal zijn
geworden.
Zullen we elkaar na al die tijd nog herkennen?


Het is jammer dat Peter Verhelst bij het grote publiek relatief weinig bekend is. Hij verdient meer aandacht, op middelbare scholen, op tv en andere media. Dit is poëzie zoals dat anno 2017 bedoeld is: om te verwonderen, om letterlijk en figuurlijk af te tasten, om bij elke beleving vraagtekens te durven plaatsen. O zo subtiel, en wat mij betreft op dit moment in het Nederlands taalgebied onovertroffen.

































Reacties

Als vissen waren we
zonder sporen achter te laten
zwommen we blub blub
achter elkaars staarten aan

in de hoop vroeg of laat
aan wal te kruipen
steunend, kreunend
weg van het wassende water

voor een voetafdruk in het zand
deden we werkelijk alles
niets was ons te gek

dan slingerden we als apen
tegen de klippen op

maar het ontbrak ons
aan
voldoende bewijsmateriaal
om uiteindelijk geschiedenis te schrijven.

 

















Reacties

Hans Vermeulen (1947-2017) was leadzanger van de Nederlandse popgroep Sandy Coast die vele hits had tijdens de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Ik was niet echt een liefhebber van hun muziek, te slap en te slijmerig. Eén nummer sprong er echter uit, Capital Punishment uit 1969. Het haalde niet eens de top tien van de hitparade, maar mede door de hese stem van Hans Vermeulen, ontstaan door een hevige verkoudheid, blijft dit een aangrijpend nummer. Met het klokkenspel van de Big Ben als onheilspellende aankondiging van de straf die te wachten staat.
Hoor hieronder:

https://www.youtube.com/watch?v=mOlwefbAbNM

 

Reacties (5)

Het feest van Sint-Maarten, dat op 11 november gevierd wordt, lijkt ver van ons volwassenen af te staan. Het is een kinderfeest. We glimlachen misschien om de kinderen die met hun lichtjes langs de huizen gaan. Of we bewonderen hun zelfgemaakte lampionnetjes, terwijl we de gloed opvangen van hun gezichten. We worden zelf weer even blij, denkend aan onze eigen jeugd, toen we misschien zelf met onze lichtjes langs de huizen liepen…

Het verhaal van Sint-Maarten draagt, wanneer je je erin verdiept, meer symboliek in zich dan je op het eerste gezicht zou verwachten. Wat bijvoorbeeld opvalt is dat het feest van Sint-Maarten gevierd wordt op de dag dat hij begraven werd en niet op zijn sterfdag van 8 november of op zijn geboortedag. Verder valt op dat in dit christelijke feest de daad van een mens centraal staat en niet een moment uit het leven van Jezus zoals vaak bij andere feesten het geval is. En waarom het de middeleeuwse mens zo aansprak dat een ruiter zijn halve mantel weggaf aan een bedelaar. Zó bijzonder is dat niet, zou je denken. Er zijn wel grootsere daden in de mensheidsgeschiedenis verricht. Blijkbaar wel bijzonder genoeg om Martinus van Tours, zoals hij oorspronkelijk heette, heilig te verklaren en hem vele eeuwen lang te vereren. Alleen al in Nederland kennen veel plaatsen een Sint-Martinuskerk.
Die verering blijkt verder uit het feit dat de mantel van Martinus, of wat daarvoor doorging, in een aparte ruimte werd bewaard. Daaromheen ontstond een hele cultus. Die ruimte werd de ‘cappella’ genoemd, naar het Latijnse woord cappa, dat mantel betekent. De Nederlandse woorden kapel en kapelaan zijn hiervan afgeleid.

De vragen rijgen zich aaneen. Waarom een halve mantel en niet een hele, als Martinus toch al bijna binnen de stadmuren is? En waarom sneed hij de mantel met een zwaard doormidden? Gewoon scheuren lijkt, op een paard gezeten, meer voor de hand te liggen.
Kennelijk draagt de daad van Martinus een beeld in zich dat de mens aangrijpt. Een beeld dat vroeger sterk werd gevoeld, maar nu nog altijd te herkennen en te beleven is. We kunnen dit wat verder uitdiepen.

De dag van 11 november blijkt precies te vallen tussen de datum van het Michaëlsfeest (29 september) en die van de eerste kerstnacht (24 december). Dat is niet toevallig. Het Michaëlsfeest riep op om daadkrachtig voor onze idealen op te komen, dwars tegen de tijdstroom in. Het zwaard symboliseert hier onze kracht en strijdlust. Het Kerstfeest daarentegen roept ons op ons open te stellen voor het innerlijke licht dat geboren wil worden. Dat vraagt een mantel van toewijding en devotie. Nogal wat anders dan het strijdgewoel waarin Michaël ons stortte.
Het vereist dan ook een innerlijke omschakeling om van Michaël naar het kerstfeest te gaan. De symboliek van het feest van Sint-Maarten, precies halverwege, vormt nu inhoudelijk een fraaie verbinding tussen deze twee feesten. Maarten die met zijn zwaard niet de vijand versloeg, maar een offer bracht. Door de helft van zijn mantel aan de bedelaar te geven, maakte hij zich gelijkwaardig aan de ander. Hij daalde af van strijder voor het goede naar iemand die deelt met zijn medemens.

Het is dit offer dat hem ontvankelijk maakte voor de geboorte van zijn eigen innerlijke licht. Dat besefte hij pas toen hij, volgens het verhaal, in een droom Christus voor zich zag, gekleed in de halve mantel die hij aan de bedelaar had gegeven. Deze droom maakte zo’n indruk op hem dat hij vanaf die dag zijn leven aan God wijdde. Tot zijn dood leefde hij als een vroom mens verder. Zo richt de dag van 11 november, de dag van zijn begrafenis, zich naar het grote innerlijke licht van het kerstfeest. De halve mantel was zijn begin. Een volledige omhulling van het innerlijke licht, de hele mantel, was zijn streven.
Het feest van Sint-Maarten kan zodoende een scharnier voor ons zijn, een aangrijpingspunt om de deur van Michaël naar het kerstfeest te openen.

We kunnen Sint-Maarten nog vanuit een andere invalshoek bekijken. Wat in feite indruk maakt – en de mens van vroeger was daar gevoelig voor – is dat Maarten door zijn daad een soort van inwijding doormaakte. Een inwijding is een versnelde overgang van buitenwereld naar binnenwereld, van aards bewustzijn naar geestelijke realiteit.
Juist omdat we een dergelijke ervaring niet met ons verstand kunnen bevatten, komt ze onbekommerd ons zielenleven binnen. Daarom raakt literatuur die een dergelijke inwijding beschrijft ons zo, ook al lijkt het verhaal soms nog zo onzinnig. Lees bijvoorbeeld Alice in Wonderland van Lewis Carroll, of De kleine prins van Antoine de Saint-Exupéry, of Hymnen aan de nacht van Novalis. Kenmerkend is steeds de weg van buiten naar binnen. Alice die een wit konijn in zijn hol achterna kruipt en tot in het binnenste van de aarde valt, de kleine prins die vanaf een verre planeet ineens bij de gestrande vliegenier in de woestijn staat en de dichter Novalis die zijn overleden geliefde in de nacht ontmoet.

Dezelfde motieven zien we bij Maarten, met telkens de tegenstelling buitenwereld en binnenwereld. Hij ontmoet de bedelaar buiten de stadspoort en gaat na zijn daad naar binnen. Het is overdag wanneer hij zijn mantel deelt, het is nacht wanneer hij Christus in zijn droom ontmoet. We vieren het feest van Sint-Maarten op de dag dat hij begraven werd, de dag dat hij voorgoed aan de zichtbare buitenwereld werd onttrokken.
Maar de eigenlijke inwijding was zijn plotselinge ontmoeting met Christus. Dat was een schok voor hem, het was het teken dat zijn leven drastisch zou veranderen. Dit teken, het plotseling zien van het licht, herkennen wij en dat raakt ons.

Ook het leven in de natuur gaat in november steeds meer van buiten naar binnen. Elke dag wordt het eerder donker. Alle bomen zijn nu kaal. De regen klettert veelvuldig tegen onze ramen. We gaan richting de donkere dagen van december.
Maar voor het eerst ook reiken we naar de geboorte van het licht dat met kerst zal plaatsvinden. Door mee te gaan met de inwijding van Maarten kunnen we dat voor het eerst zo beleven. Om die reden begint met Sint-Maarten de lichtperiode. Deze periode van 11 november tot aan Maria-Lichtmis op 2 februari omspant precies het kerstfeest. Vandaar ook dat de kinderen met Sint-Maarten met een lichtje in de hand lopen. Niet zomaar een lichtje, maar een lichtje dat is ontstoken in iets wat uit de aarde komt, uit de duisternis dus, een peen of een voederbiet bijvoorbeeld.

Zoals Sint-Maarten in de duisternis van de nacht het licht van Christus ontmoette, zo ontsteken wij bij een innerlijke beleving van het Sint-Maartensfeest een lichtje in de duisternis van onszelf. Het vraagt wellicht een offer, een tijdelijk terugtreden, een even stil zijn te midden van alle drukte om ons heen, maar het resultaat zal zijn: een voorbereiding op de vrede in de harten van alle mensen.


Uit: Fred Tak - Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, uitgeverij Christofoor, september 2017









Reacties

Jonas Geirnaert is een droog jurylid van het Belgische tv-programma De slimste mens. Hier doet hij een duif na, en nog andere vogels, maar die lukken niet helemaal.

  https://www.youtube.com/watch?v=bpo8hBLfNWA

Reacties

Als ik weg ben
een blokje om, dat misschien wel
een heel leven kan duren
let dan op

het zuchtje wind door je haren
de troost van vogels in je tuin

de neergestreken vlinder op je arm

de kamerdeur die opengaat
zonder dat er iemand binnenkomt
het horen fluisteren
van je naam
in lange dromerige nachten

de armen die anderen
elke dag weer om jou heen slaan
.

Weet dan
dat ik niet weg ben
alleen een blokje om
dat misschien een heel leven kan duren.




















Reacties

In 1887 probeerden de Amerikanen Michelson en Morley met hun interferometer-experiment het bestaan van de zogenaamde ether aan te tonen. De ether zou het medium (= tussenstof) zijn waardoor licht en andere elektromagnetische golven zich konden voortplanten. Zonder tussenstof is transport niet mogelijk, was toen de gedachte.

Die gedachtegang was zo gek nog niet. Immers, geluidsgolven hebben ook een tussenstof nodig, namelijk lucht. Op de maan en in de ruimte is geen lucht, dus is daar geen geluid. Ook bij golven aan het wateroppervlak is er een tussenstof, namelijk water. En omdat licht een golfkarakter heeft, getuige het optreden van buiging en interferentie, kwam men logischerwijs tot de conclusie dat er bij het transport van licht een tussenstof aanwezig moest zijn. Deze tussenstof noemde men de ether.

Het interferometer-experiment van Michelson en Morley was heel slim opgezet. Men was erachter gekomen dat de aarde om de zon heen draaide, met een snelheid van zo’n 30 km/s. Daarnaast ontdekte men dat de zon op haar beurt met een snelheid van zo’n 220 km/s in de Melkweg voortbewoog. Er moesten dus door de beweging van de aarde en de zon verschillende snelheden van het licht te meten zijn ten opzichte van de stilstaand veronderstelde ether.  
In de opstelling liet men een coherente bundel licht op een halfdoorlatende spiegel vallen. Zie hieronder.


                                                                                     


Via twee andere spiegels wordt het licht weer samengevoegd en vervolgens gedetecteerd. Als de aarde (of de zon) beweegt en de ether stilstaat, krijg je een ander interferentiepatroon dan wanneer er geen beweging van de aarde (of de zon) zou zijn. De uitkomst was echter teleurstellend. Er was geen verschil te zien. In alle richtingen had het licht steeds dezelfde snelheid. Het experiment werd om die reden als mislukt beschouwd. Het bestaan van de ether werd er namelijk niet mee aangetoond.


In 1905 postuleerde Albert Einstein zijn speciale relativiteitstheorie. Zijn belangrijkste aanname was dat de lichtsnelheid in vacuüm in alle omstandigheden eenzelfde vaste waarde had. Met terugwerkende kracht was het experiment van Michelson en Morley daar dus een bevestiging van. De ether bestaat niet en de lichtsnelheid is onafhankelijk van de beweging van aarde, zon of de bron van licht. Dit betekende een revolutie binnen de natuurkunde, culminerend in de algemene relativiteitstheorie van Einstein in 1915.

Het is interessant om uit te zoeken hoe zo’n ontwikkeling, van mislukt experiment tot revolutionaire ontdekking, plaats heeft kunnen vinden.
Bekijken we dit vanuit wetenschapsfilosofisch standpunt, dan is het logisch de eerste groep mensen die het begrip wetenschapsfilosofie onder woorden bracht, onder de loep te nemen. Althans, de manier waarop ze dachten dat wetenschap zich ontwikkelde.

Dat zijn de logisch positivisten, voortkomend uit de Wiener Kreis, een gezelschap van filosofen en wetenschappers dat tussen 1920 en 1938 in Wenen regelmatig bij elkaar kwam en gemeenschappelijke ideeën over filosofie en wetenschap ontwikkelde. Uitgangspunt bij hen was dat alleen wat zintuiglijk (= empirisch) waargenomen kon worden als zinvol werd beschouwd. Daarnaast werden ook logische uitspraken als waardevol gezien. Vandaar de naam logisch positivisme (= logisch empirisme).
Belangrijk is dat een theorie verifieerbaar is. Het moet volgen uit empirische waarnemingen. Niet-zintuiglijke indrukken vallen hier buiten, zijn om die reden zinloos. Zodoende beperkt het logisch positivisme zich tot de natuurwetenschappen, wiskunde en logica.

De Oostenrijks-Britse filosoof Popper (1902-1994) had fundamentele kritiek op het idee van de onvooringenomen waarneming en de autonomie van de feiten. Volgens hem bestaat er geen onafhankelijke basis van feiten. Alle waarnemingen vinden plaats onder invloed van bepaalde theorieën vooraf, m.a.w. alle feiten zijn theorie-afhankelijk. Door de verwerping van de onafhankelijke, empirische basis moet volgens Popper een basis door de wetenschappers zelf ontworpen worden om althans de rationaliteit te kunnen handhaven. Dus, de natuurbasis wordt vervangen door een cultuurbasis. Popper rechtvaardigt deze irrationele stap als zijnde de enige manier om tot een groei van kennis te komen en dit laatste is nodig om d.m.v. theorievorming maatschappelijke en praktische problemen op te lossen.
Zijn criterium om wetenschap van niet-wetenschap te onderscheiden is het begrip ‘falsifieerbaarheid’. Een theorie is falsifieerbaar als van tevoren, voordat een experiment gedaan wordt, precies aangegeven kan worden wat de uitkomst is. Een wetenschappelijke theorie is zodoende gedoemd een hypothese te blijven, tot het moment dat ze door nieuwe feiten weerlegd wordt. De wetenschap staat op deze manier altijd open voor weerleggingspogingen.

De Amerikaanse natuurkundige en wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn (1922-1996) gaat verder in zijn kritiek op het standaardbeeld van de logisch positivisten. Hij valt de rationaliteit aan door te wijzen op sociale en psychologische factoren bij de theorievorming. Hij introduceert het begrip paradigma, d.i. te vergelijken met een groep van wetenschapsmensen met een gemeenschappelijke achtergrond. Onderscheiden worden in een paradigma het theorieënstelsel (de groepsdiscipline), de metafysica (de filosofische vooronderstellingen), de waarden (hoe moet het onderzoek verricht worden), en de exempels (voorbeelden die theorie met praktijk verbinden).
Een groep wetenschappers zal volgens Kuhn deze vier elementen kritiekloos aanvaarden en slechts opereren binnen de grondlijnen van dit paradigma. Het onderzoek zal dan bestaan uit het completeren van het paradigma.

De Hongaarse natuurkundige en wetenschapsfilosoof Imre Lakatos (1922-1974) staat met zijn kritiek ongeveer tussen Popper en Kuhn in. Hij probeert de rationaliteit van Popper te verbinden met Kuhn's sociologische benadering van de wetenschap. Hij vervangt het begrip paradigma door research-programma. Volgens hem moet zo'n research-programma progressie vertonen. Indien dit niet gebeurt, degenereert het en wordt het overvleugeld door concurrerende programma's. De theorie wordt dan gefalsificeerd (weerlegd) d.m.v. eliminatie. Er moet daartoe echter wel een alternatief voorhanden zijn. Eliminatie van een theorie en tevens aanvaarding van een alternatief hangt af van het empirisch bevestigd worden van de voorspelde nieuwe feiten. Tussen de voorspelling van nieuwe feiten en de empirische bevestiging hiervan kan echter een groot tijdsverloop zitten. 
De theorieën van Lakatos kunnen gezien worden als en verfijning en uitbreiding en tevens samenbundeling van de theorieën van Popper en Kuhn.

Kijken we nu even terug naar het Michelson-Morley-experiment. Het is duidelijk dat de visie van Kuhn op wetenschapsontwikkeling het hier wint van de overige visies. Immers, er kwam een duidelijk resultaat uit het experiment (licht plant zich voort in alle richtingen met dezelfde snelheid), het was verifieerbaar (logisch positivisme), het was ook falsifieerbaar (Popper), maar het paste niet binnen het paradigma waarin men toen wetenschap bedreef. Dat paradigma ging ervan uit dat de ether bestond. Pas een revolutie binnen de wetenschap, de relativiteitstheorie van Einstein, bracht alle voorgaande kennis, inzichten en ideeën aan het wankelen. Even was er grote verwarring, zo tussen 1905 en 1918, het jaar waarin Eddington met metingen aan een zonsverduistering de theorie van Einstein bevestigde. Daarna trad er een nieuw paradigma in, er was weer rust en overeenstemming binnen de wetenschap, hoewel een nieuwe revolutie zich alweer aandiende, die van de kwantummechanica.
De verfijnde theorie van Lakatos is hier evenzeer te verdedigen. Juist omdat er geen alternatief voorhanden was (waarom zou licht in alle richtingen dezelfde snelheid hebben?) hield men voorlopig vast aan het idee van het bestaan van een ether.

Overigens, het woord ether wordt nog altijd gebruikt bij radio-uitzendingen. De diverse radio frequenties worden uitgezonden via de ether, heet het dan. Hoe lastig het is eenmaal verkeerd begrepen ideeën uit te bannen, blijkt wel uit dit voorbeeld. De ether bestaat niet en zal ook nooit bestaan (tot iemand met het onweerlegbare bewijs komt dat ie wel bestaat, ha).






















Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl