Weblog van Fred Tak
Laatste artikelen

De vrouw staat bij de reling
van de brug te wachten
nog even zal zij
de vrouw
kijkt omhoog
schudt met haar hoofd
een laatste keer 
tot het vrachtschip
met de blaffende hond op het dek
zal ze voorover
net voor ze
net voor ze al die tijd.

Een brug verder
staat een man met hoed te zwaaien
brede gebaren
oplossend in de mist.

Als je een bloem bent
heb je nergens last van.

















Reacties

Het kijken naar de sterrenhemel is een bijzondere beleving, zeker in de zomervakantie, wanneer we alle tijd van de wereld hebben en de temperaturen ’s avonds aangenaam genoeg zijn om onder de blote hemel te verblijven. Het is immens wat we zien, duizenden lichtpuntjes boven en om ons heen. Wanneer we daarin opgaan ervaren we iets wat zich moeilijk laat omschrijven. Enerzijds voelen we ons als mens ongelooflijk nietig, anderzijds beseffen we deel uit te maken van een gigantisch uitspansel van sterren. Ontzag en eerbied overvallen ons, we worden er stil van. De grootsheid van het bestaan lijkt te veel om te bevatten.

Zo rond 12 en 13 augustus kunnen we het wonder van de vallende sterren beleven. We bevinden ons op een camping in het buitenland of gewoon ergens in Nederland. We turen de hemel af. Zodra we een lichtflits zien, houden we de adem in. We doen een wens, vervuld als we zijn van de betekenis die we eraan toekennen.
Wat dat precies is, is wel voelbaar, maar blijft verder vaag. Wat we wel weten is dat vallende sterren ontstaan door wrijving die kleine steentjes met de dampkring ondervinden. Die kleine steentjes zijn overblijfselen van kometen of planetoïden, ook wel ruimtepuin genoemd. Bij de botsing zorgt de wrijving voor het gloeien en uiteindelijk verbranden van de steentjes, wat wij zien als lichtflits. Door de hoge snelheid van de stukjes steen ten opzichte van de dampkring zien wij die lichtflits als een spoor aan de hemel. Dit lichtspoor lijkt op een vallende ster. Op het einde is het stukje steen geheel verbrand en houdt het spoor op te bestaan.
Maar op het moment zelf, bij het zien van zo’n vallende ster, zijn we daar niet mee bezig. We ondergaan een kortstondig geluksgevoel, alsof we van binnen even worden opgelicht. Alsof er iets bij ons wordt wakker geschud. Iets wat met dit licht te maken heeft.

Wat is licht eigenlijk? De wetenschap zegt dat licht uit energiepakketjes bestaat, fotonen genaamd, die zich soms als deeltjes en soms als golven gedragen. Maar dit is slechts een duiding. Het geeft geen inzicht in waarom licht ons zo wezenlijk beroert.
Dichters raken vaak aan een diepere werkelijkheid, dat maakt hen ook tot dichter. Het gedicht Hymnen aan de nacht van Novalis (1772-1801) begint met de volgende woorden:

Het licht –
is dat niet waar elk
met rede begaafd wezen
het meest van houdt,
vóór alle andere wonderen
die de ruimte om hem heen
te bieden heeft?

Het heerlijke licht –
met zijn stralen en golven,
zijn kleuren
en zijn milde alomtegenwoordigheid
overdag.

Waarna de dichter verhaalt hoe dit licht door alles wat leeft wordt ingeademd. Het gedicht vervolgt met:

en zijn aanwezigheid alleen
openbaart ons de wondervolle pracht
van het aardse rijk.

Hoe mooi verwoord, het licht dat door ons wordt ingeademd. Alsof het een kracht is. Een kracht die tot talloze veranderingen oproept. Het licht wordt hier gezien als kwaliteit, als innerlijke beleving.

Eenzelfde innerlijke verhouding tot het begrip ‘licht’ zien we bij Goethe. Hij heeft geprobeerd antwoord te geven op het effect van kleuren op ons gemoed. Zijn interesse in schilderijen uit de Italiaanse Renaissance bracht hem naar Italië waar hij zijn ervaringen diepgaand heeft onderzocht. Het leidde tot zijn bekende kleurenleer.
Het uitgangspunt van Goethe was dat kleuren ontstaan daar waar licht en duisternis elkaar ontmoeten. Uit deze ontmoeting ontstaat strijd. De uitkomst van deze strijd bepaalt de kleur die wij zien.
Licht is eenheid, licht is volledig, volgens Goethe. Het kan niet uiteengerafeld worden. Dat is een groot verschil met de wetenschappelijke opvatting, die zegt dat licht is opgebouwd uit alle kleuren van de regenboog. Pas op het scheidsvlak van licht en duisternis, waar de twee in contact met elkaar treden, ontstaat een kleur. Niet omdat het licht uiteenvalt, maar omdat het de strijd aangaat met het donkere. Het licht verliest daarbij iets van zijn glans, het donker licht een ietsje op. Door die strijd ontstaat nuance, aldus Goethe. Kleuren zijn de nuances van de wereld.

Interessant is hoe Goethe tegen de werking van onze ogen aankeek. Om licht te kunnen waarnemen, zullen de ogen zelf een element van licht in zich moeten dragen. Anders kunnen ze het licht niet herkennen. Vergelijk dit met een Chinees die iets tegen je zegt. Je begrijpt hem alleen wanneer je zelf Chinees spreekt en verstaat.
Onze ogen bevatten zodoende een beginsel van licht, volgens Goethe. Natuurlijk niet een letterlijk, maar een voelbaar geestelijk licht. De ogen zijn de vensters van de ziel. In onze ziel zit een bepaalde hoeveelheid licht en ruimte. Een bepaald soort innerlijkheid, zou je het ook kunnen noemen. Dat is waarmee wij in contact met anderen verbinding zoeken. We hebben oogcontact, heet dat dan.

We kunnen voorzichtig concluderen dat bij het zien van een vallende ster er een stukje licht in onszelf wordt herkend. Dat is kennelijk wat ons zo’n gevoel van euforie geeft. Een stukje hoop voor de toekomst, wat we vertalen in het doen van een wens.
Hoe we er ook tegenaan kijken, het zien van vallende sterren roept bij iedereen diepe verwondering op. Verwondering om het mysterie van het heelal, om het mysterie van wie wij zijn in deze onmetelijke wereld.
Het koesteren en met ons mee dragen van deze verwondering is een talent op zich.





















Reacties

Zie, daar liggen wij
vier ellenbogen in het gras

aan de rand van het ravijn
alleen nog onze ogen
om binnen te gaan, immens dit blauw
als deur naar verre diepten.

De zon staat de berg staat de rotspunt
deze lome dag
dat het leven een bloem is
een slingerende landweg langs akkers vol lavendel, zoet geurend
als jouw lippen, omhoog
gaan we hoger
tot we alleen nog
ademloos zijn.

Oh, verschrikkelijk
ooit een plek waar de wind
kermt
van geluk
een seconde
om alles te verliezen.


















Reacties

In mijn jeugd had ik een plakboek vol met vogelplaatjes. Die spaarde ik toen. Eén van die plaatjes was van de kluut. Ik herinner me nog dat ik me verbaasde over de vreemde vorm van de snavel. Het zag er erg apart uit.
Tot afgelopen voorjaar had ik nog nooit een kluut in het echt gezien. Tijdens een fietstocht eind mei langs de wadden op Terschelling viel mijn oog op een paartje wit-zwarte vogels dat op het slijk aan het foerageren was. Ze staken prachtig af tegen de kleuren van het wad. Er waren ook scholeksters en grutto's, maar die vielen nauwelijks op. Te gewoon.   
                 


                           

                                                 Kluut


Ik dacht meteen, dat moeten kluten zijn. Thuis heb ik het op internet opgezocht: het bleek inderdaad zo te zijn. Wat een mooie vogels zijn dat. In het echt nog mooier dan op een plaatje. Hun sierlijke, trotse houding, de lange poten, die gekromde snavel waarmee ze door het water zeven op zoek naar voedsel, die scherpe wit-zwarte kleuren, het was een lust voor het oog.
Een dag later zag ik er weer een, nu in zijn eentje foeragerend. Ik kan daar uren naar kijken. Wat een trotse schoonheid bij elkaar.

Ik heb het even opgezocht, in Nederland schijnen er zo'n 5000 broedparen te zijn. Het zijn trekvogels. In het najaar vliegen ze naar Zuidwest-Europa of Noordwest-Afrika. In februari en maart keren ze weer terug, vooral naar de kustgebieden in Nederland. Toch heb ik ze in de kop van Noord-Holland, waar ik ben opgegroeid, nooit gezien. Waarschijnlijk net ietsje te ver van het IJsselmeer en de Waddenzee af. 
 





Reacties

Wat ikzelf de 10 beste Nederlandse literaire romans vind, in chronologische volgorde.

1. Max Havelaar - Multatulli (1860)
Dit boek las ik voor mijn boekenlijst in 6VWO. Het maakte grote indruk op mij, door de stijl, de verschillende vertellijnen, de bevlogenheid waarmee het geschreven was. Een klassieker die iedereen gelezen moet hebben.

2. Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan... - Louis Couperus (1906)
Van Couperus las ik ook andere boeken, maar deze steekt er wat mij betreft bovenuit. De slepende kwestie van een moord, hoe de hoofdpersonen dit verborgen willen houden en daaronder lijden. De tijd kan hen niet snel genoeg gaan. Spannend en invoelbaar.

3. Terug tot Ina Damman - Simon Vestdijk (1934)
Onderdeel van de Anton Wachter cyclus, acht romans die handelen over de jeugd en studententijd van de schrijver. Sterk autobiografisch dus. Terug tot Ina Damman is het derde deel hiervan. Mooi hoe Vestdijk hier een jeugdliefde beschrijft. Las ik in mijn jeugd. Nog veel andere boeken van Vestdijk volgden, waarbij ik met name De ziener zeer kon waarderen.

4. De avonden - Gerard Reve (1947)
Wordt gezien als een van de beste boeken uit de Nederlandse literatuur. Daar ben ik het mee eens. Beklemmende beschrijvingen van een adolescent vlak na de Tweede Wereldoorlog. Er gebeurt niet veel in het boek, maar de sfeertekening is onovertroffen.

5. Nooit meer slapen - W.F. Hermans (1966)
Zelf vind ik zijn Het sadistische universum uit 1964 zijn beste boek, maar dat zijn essays en dus geen literaire roman. Het verhaal van een jonge geoloog die op expeditie gaat naar het zeer noordelijke Finnmark, een onherbergzaam gebied waar de zon overdag niet ondergaat. Existentialistisch.

6. In de bovenkooi - J.M.A. Biesheuvel (1972)
Verrassende verhalen, soms ontroerend, vol herkenning, andere keren fantasierijk. Tot deze laatste categorie behoort Brommer op zee. De hoofdpersoon als ketelbinkie op de grote vaart, zijn adoratie voor Karel van het Reve, in wie hij God meende te herkennen, zijn gereformeerde jeugd, zijn grote liefde Eva, zijn verblijf in psychiatrische inrichtingen. Je voelt en leeft met hem mee.

7. De aanslag - Harry Mulisch (1982)
Eindelijk een boek waaruit blijkt dat Mulisch wel degelijk een roman kan schrijven. Hij heeft er lang over gedaan, ruim 36 jaar van vele mislukkingen, maar deze oorlogsroman mag er zijn. Brak hiermee door naar het grote publiek. Werd ook verfilmd.

8. Hersenschimmen - J. Bernlef (1986)
Andere boeken van Bernlef vind ik niks aan, maar deze is geweldig. Veel verkocht, verfilmd ook, het maakt van Bernlef alsnog een (eenmalig) groot schrijver. Het boek gaat over een dementerende man. Zeer aangrijpend hoe je als lezer samen met de ik-persoon in verwarring raakt, hoe deze letterlijk ont-ikt en steeds verder achteruit gaat. Prachtig en zeer invoelend beschreven. Een schitterend boek, ik kan niet anders zeggen.

9. De ontdekking van de hemel - Harry Mulisch (1993)
Het magnum opus van Harry Mulisch. Beschrijft de vriendschap tussen een sterrenkundige (in feite Mulisch zelf) en een filoloog (= een taalkundige) in wie we gemakkelijk zijn beste vriend, de schaker Jan Hein Donner, herkennen. Een virtuoos geschreven boek, waar het plezier van af spat. Jammer natuurlijk dat de hoofdpersoon op tweederde van het boek dood gaat, en daarnaast is er het nogal rommelige einde dat ongeloofwaardig verloopt, maar dat mag de voorgaande pret niet drukken. Het is een meesterwerk. Door de lezers van NRC Handelsblad uitgeroepen tot het beste Nederlandstalige boek aller tijden.

10. Schaduwkind - P.F. Thomese (2003)
Een relatief klein (112 blz.) en onbekend boek van een ook al niet zo'n bekende schrijver. Gaat over het verliezen van je kind. Een moeilijk en kwetsbaar onderwerp, maar Thomese beschrijft dit verlies zo gevoelvol, zo integer en ingehouden, dat het op iedere bladzijde raakt. Een pareltje in de Nederlandse literatuur.





















Reacties

In 1950 publiceerde de Nederlander E.J. Dijksterhuis zijn befaamde De mechanisering van het wereldbeeld, een omvangrijk boekwerk van bijna 600 bladzijden over de ontwikkeling van de wetenschap vanaf de oude Grieken tot aan het begin van de moderne tijd, zo rond eind 17e eeuw, toen Isaac Newton zijn Principia Mathematica publiceerde.
Toentertijd maakte deze publicatie zo'n indruk dat Dijksterhuis hiervoor in 1952 de P.C. Hooft-prijs kreeg. Terecht, want hoewel de naam van Dijksterhuis in de moderne wetenschapsfilosofie nauwelijks genoemd wordt, is zijn boekwerk wel degelijk een standaardwerk.
Voor een ieder die geïnteresseerd is in wetenschapsgeschiedenis een must om te lezen. Hoewel lezen, het is eerder een naslagwerk, zo gedetailleerd is iedere beschrijving van de specifieke omstandigheden die bij de ontwikkeling van het denken over de wereld aanwezig waren.

Dijksterhuis (1892-1965) was van huis uit wiskundige, een van het ouderwetse soort. Daarmee doel ik op zijn hang naar absolutisme, naar zuiverheid met name. In de wiskunde zag hij de meest verheven manier van denken terug, objectief en de mens optillend boven het moeras van oordelen en vooroordelen. Hij was wat dat betreft een echte Helleense geest, zoals zijn biograaf Klaas van Berkel hem in zijn boek uit 1996 noemde.

Zijn boek is opgezet in vier chronologische hoofdstukken. Het eerste deel heet: Het erfgoed der oudheid. Alleen al dit gedeelte geeft zo'n minutieus overzicht van het oude Griekse denken, dat het in iedere studie filosofie verplichte stof zou moeten zijn in het eerste jaar. Het is een boek op zich.

Deel I: Het erfgoed der oudheid
Het behandelt in eerste instantie de stromingen van het Pythagoraeïsme (waarin de functie van gehele getallen en hun onderlinge verhoudingen centraal staan), het Eleatisme (de overtuiging dat elke verandering in de wereld slechts schijn is: het wezenlijke verandert niet, is een en ondeelbaar: belangrijkste vertegenwoordiger is Parmenides), de Griekse corpusculairtheorieën (de veronderstelling  dat de processen in de natuur worden veroorzaakt door onwaarneembaar kleine deeltjes, wat onder meer leidde tot de leer van de vier elementen aarde, water, lucht en vuur: belangrijkste vertegenwoordigers zijn Empedokles en Demokritos), het Platonisme (de gedachte dat wat wij in de natuur waarnemen nabootsingen zijn van ideële vormen of ideeën die in een bovenzinnelijke wereld, los van tijd en ruimte, alleen door het zuiverste denken te bereiken zijn), het Aristotelisme (alle kennis die wij over de natuur kunnen verwerven wordt gevormd door wat wij met onze zintuigen kunnen ervaren, ons intellect heeft daarbij de actieve functie om de indrukken te verwerken tot een logische samenhang: dit uitgangspunt vormt in feite de eerste empirische benadering van de natuur), het Stoïcisme (de belangstelling gaat hier voornamelijk uit naar de ethica, de morele overtuiging dat de wereld een geordende kosmos is, beheerst door een principe van redelijkheid en wettelijkheid, toeval bestaat niet) en het Neo-Platonisme (het is Plotinos die de leer van Plato en die van Aristoteles tot één stelsel verwerkt, hij stelt een lagere tegenover een hogere geestelijke wereld, er is het Ene en het Goede, die zich zowel in het stoffelijke als het geestelijke manifesteren, met als gevolg een onderscheid tussen geest, ziel en lichaam).

Vervolgens beschrijft Dijksterhuis de toepassingen van deze stromingen in de verschillende takken van wetenschap die toen golden, met als belangrijkste de wiskunde (met centraal het belangrijke geschrift van Euclides, de Elementen) en de astronomie.
Dijksterhuis verbaast zich over het feit dat de oude Grieken de algebra, zoals die overgeleverd werd door de Babyloniërs, verwaarloosden en zich vrijwel alleen maar toelegden op de meetkunde. Volgens hem kwam dat door het ontbreken van een passend mathematisch tekenschrift. De wiskunde in het algemeen werd als weinig praktisch ervaren, passend in het beeld van het Platonisme. De meetkunde zou zich bezighouden met de ideale vormen van een geestelijke wereld. Euclides was bij uitstek een Platonist. Het gevolg was dat de wiskunde zich  weinig ontwikkelde, juist omdat men niet de verbinding met het aardse onderzocht. Begrippen als snelheid en richting van een beweging onderwierp men niet aan een onderzoek. Deze hadden te weinig te maken met de onveranderlijke ideale vorm die voor de Platonici het uitgangspunt van de wereld was. Ook iemand als Archimedes bouwde hierop voort. Zelfs zijn beroemde onderdompelingsmethode beschreef hij niet algebraïsch, maar op een ingewikkelde meetkundige manier.
In de astronomie was men wel gedwongen meer de richting van de empirische wetenschap op te gaan. Men moest immers de directe bewegingen van de hemellichamen onderzoeken. Dat betekende: systematische waarneming en nauwkeurige meting. Dit bracht een voortdurende verfijning van de theorieën van eenparige cirkelvormige bewegingen teweeg. Er is de theorie van de excentrische beweging, waarbij het middelpunt van de beschreven cirkelgang niet met het middelpunt van het wereldcentrum (zoals door Aristoteles geformuleerd) samenvalt. Daarnaast is er de theorie van de epicyclische beweging, het stelsel van hulpcirkels om de schijnbare bewegingen van de planeten te kunnen verklaren. Omdat men dacht dat de aarde het centrum van het heelal was, moesten er ingewikkelde constructies bedacht worden om de beweging van de planeten rond de aarde, die soms retrogade waren, in een wiskundig model te vervatten. Ook hier weer, men deed dat vooral meetkundig.
Als derde theorie is er de vereffeningsbeweging, die de eerste twee theorieën, die tezamen nog altijd onvoldoende nauwkeurigheid boden, op een wat gekunstelde manier aanpaste aan de door waarneming vastgestelde feiten. De ontstane constructie werd echter wel een behoorlijk ingewikkelde.      
Het wereldstelsel zoals Ptolemeus (2e eeuw na Chr.) dat in die tijd in zijn Almagest ontwikkelde heeft eeuwenlang als standaardwerk gegolden. Dijksterhuis zal daar verder in zijn boek vaak op terugkomen.
Dit hoofdstuk eindigt met (nogmaals) de constatering dat de oude Grieken weinig oog hadden voor het praktische nut van hun wiskundig denken. Men keek eerder neer op de aardse omstandigheden. De zuivere, van oorsprong goddelijke wiskunde was daar ver boven verheven, in hun ogen. Het mechanistische denken, dat onze tijd zo sterk kenmerkt, was nog ver weg.  

Deel II: De natuurwetenschap in de middeleeuwen
Met het einde van het Romeinse Rijk, zo rond de 4e eeuw na Chr., trad er een periode aan van terugval van kennis van het geestelijk erfgoed van de Griekse oudheid. In de eeuwen hierna was het in eerste instantie Boëthius (5e eeuw na Chr.) die er voor zorgde dat de kennis van de Griekse wiskunde niet verloren is gegaan. Hierna waren het de Ierse monniken die nog enigszins de antieke traditie wisten te handhaven door nieuwe vertalingen te laten verschijnen, en later (in de 12e eeuw) was het vooral de school van Chartres die voor een relatieve bloeitijd van de wetenschap zorg droeg. Ondertussen hadden de Arabieren, geheel losstaand van een West-Europese invloed, het Griekse gedachtengoed ontdekt en zelfs op een bescheiden manier uitgebreid. In de algebra en trigonometrie met name brachten ze iets geheel nieuws. Byzantium was toen het centrum van macht en kennis. In de 12 eeuw drongen vertalingen van Arabische geschriften van werken van Plato en Aristoteles het Westen binnen. Deze zorgden voor een grote opleving van en interesse in de rijkdom van het Griekse denken. Een probleem was echter dat de werken een vertaling van een vertaling waren, waardoor er veel oorspronkelijks verloren ging. Veel verder dan een opnieuw bestuderen kwam men dan ook niet.

De 12e eeuw kenmerkte zich door de grote invloed van het gedachtengoed van Plato. De school van Chartres adoreerde Plato, evenals Alanus de Insulis, die de natuur als een alles beheersende, wetgevende en vormgevende macht tussen God en de wereld stelt. Geloof en wetenschap zijn weliswaar streng gescheiden, maar zijn niet in strijd met elkaar. Ze bevinden zich in twee volkomen gescheiden gebieden.

De 13 eeuw bracht de zienswijze van Aristoteles tot volle bloei. Het waren de Arabische denkers die Aristoteles uitvoerig bestudeerd hadden en wier werken nu voor de westerse wereld toegankelijk werden. Hoewel de kerk aanvankelijk bezwaren had tegen de in hun ogen weinig Christelijke beschouwingen van Aristoteles, werd ze later door diezelfde kerk omarmd. Thomas van Aquino heeft daar het meest aan bijgedragen. Deze wees erop dat juist de wetenschap het geloof diende, dat er een intrinsieke harmonie is tussen deze twee. Het beoefenen van de natuurwetenschap ondersteunt het geloof en helpt mee tot het uitroeien van dwalingen.

Er ontstond echter ook kritiek op deze ordelijke, ogenschijnlijk zo harmonieuze zienswijze. Roger Bacon is de meest bekende van de criticasters. Zijn scherpzinnige inzichten en opmerkingen maakten veel los in die tijd. Hij was een groot voorstander van het empirisme, het door veelvuldig onderzoek doen, door te experimenteren dus, meer over de wereld te weten te komen. De toon in zijn geschriften was echter vaak scherp en kwetsend voor anderen, hetgeen hem veel vijanden bezorgde. Mede hierdoor belandde hij zo'n 15 jaar van zijn leven in de gevangenis. Hij had tegen te veel heilige huisjes aangeschopt.

Dijksterhuis beschrijft verder de stand van zaken in de 13 eeuw in deelgebieden van de wetenschap, zoals het wel of niet bestaan van een vacuüm, de ontwikkelingen binnen de optica (waar men de terugkaatsing van stralen wel begreep en kon beschrijven, maar de breking niet), het magnetisme (waar men werkelijk niets van begreep), de astrologie (die op grote instemming kon rekenen), de magie die tot dan toe een grote plek in het leven van alledag innam, en de alchemie (waarin men toen niet veel verder kwam).

De 14e eeuw bracht veel kritiek en twijfel. Aan de Universiteit van Parijs was een groep denkers werkzaam die het harmonische stelsel van Thomas van Aquino niet zouden sparen. Hun leermeester hierin was Willem van Ockham. Deze bracht een strikte scheiding aan tussen geloof en wetenschap. Deze zienswijze had als voordeel dat de wetenschap minder belemmerd werd om zich vrijelijk te ontwikkelen. Er moest eerst destructief werk verricht worden, alvorens een nieuwe wetenschappelijke beschouwingswijze kon ontstaan.
Een aparte plaats neemt Nicolaas van Autrecourt in, die in zijn stellingen een onoverbrugbare kloof poneerde tussen geloven en weten. Zijn ideeën waren zo tegengesteld aan het heersende beeld dat door Thomas van Aquino gedragen werd, dat hij zich genoodzaakt voelde deze zelf weer te herroepen (in 1346).

De 14e eeuwse natuurwetenschap richtte zich op vier probleemgebieden.
a. Die van plaats en beweging. Aristoteles meende dat de rotatie van de hemelsfeer een onbeweeglijk centraal lichaam veronderstelt, de aarde dus. Echter, dat was in strijd met de bevindingen van Ptolemeus, die veel meer empirisch was ingesteld. Bij het begrip plaats dacht men in die tijd in termen van sferen. Er waren de zeven planetensferen, de achtste sfeer zou dan de hemelsfeer zijn. Er werd een onderscheid gemaakt tussen de natuurlijke beweging van de ondermaanse lichamen (die van de aarde) en die der hemelsferen (de planeten, zon en sterren). De hemellichamen zouden de ondermaanse verschijnselen teweeg brengen. In feite is dit een puur astrologische inslag.
Het begrip beweging bezorgde voor veel problemen. Wat brengt een lichaam in beweging? Er bestonden hier twee opvattingen over, de forma fluens en de fluxus fomae. Beweging is ofwel een activiteit op zichzelf, of een kwaliteit (of iets dat je kunt beschouwen als een kwaliteit). Kwaliteit kun je hier lezen als een intrinsiek zich telkens anders gedragen. Met name Oresme heeft zich in deze zin uitgelaten.
b. Val en worp*. Aristoteles had zich hier al uitgebreid over uitgelaten. De scholastiek in de 14e eeuw heeft zich hier vervolgens vol overgave op gestort. Wat zorgt voor een beweging omlaag? Wat zorgt voor een versnelling? Vele opvattingen lopen hier in elkaar over. Zo is er de impetustheorie: er is een eigen inwendige kracht die de beweging veroorzaakt. Een projectiel is zijn eigen motor. De versnelling ontstaat doordat de zwaarte er weer een eigen impetus aan toevoegt, zodat het lichaam niet alleen valt, maar ook steeds sneller.
c. Oresme en de grafische voorstelling van intensiteitsverandering van kwaliteiten. Met Oresme wordt Nikolaas van Oresme bedoeld, een belangrijke vertegenwoordiger van het Parijse terminisme. Belangrijk zijn bij hem de invoering en toepassing van grafische voorstellingen, alsmede zijn beschouwingen over astronomie. Hoe verhouden de begrippen kwaliteit en kwantiteit zich tot elkaar? Kun je door vele koude voorwerpen naast elkaar te zetten een warm lichaam krijgen? Nee dus. Wat is het dan wanneer iets een intensiteitsverandering ondergaat? Aan de orde komen begrippen als calculationes (pogingen om wetenschappelijke redeneringen ook in theologische problemen toe te passen), en de theorie van de latitudines (lijnstukken die ergens uitgezet tot een vlakke figuur leiden, uitmondend in grafieken van plaats tegen de tijd, en snelheid tegen de tijd).
d. De structuur van de materie. Blijft een element voortbestaan, wanneer het in een mengsel is opgenomen? Is er dan sprake van een verzwakking van de intensiteit? Hier bestonden veel verschillende theorieën over.

Als laatste beschrijft Dijksterhuis de strijd die er in de astronomie van de 14e eeuw heerste tussen de ideeën van Aristoteles en Ptolemeus. Aanhangers van Ptolemeus konden zich beroepen op praktische resultaten die in die tijd zo goed als onweerlegbaar waren, terwijl die van Aristoteles steunden op de overtuiging van de onaantastbaarheid van haar grondbeginselen, voornamelijk door Thomas van Aquino aangedragen. Ook hier weer zijn er theorieën over de verschillende sferen waaruit de wereld zou bestaan. De Almagest van Ptolemeus blijkt ook nu het standaardwerk te zijn waarop de astronomen zich verlaten.
Opvallend is dat er al astronomen zijn die voorstellen om de aarde niet als vast middelpunt van de wereld te laten zijn, maar deze te laten roteren, zodat de hemelbol stilstaat en de aarde dus beweegt. Zoals de eerder genoemde Oresme in zijn Traité du Ciel et du Monde. Twee eeuwen later zal Copernicus veel van wat hier wordt gezegd in zijn beroemde De Revolutionibus Orbium Caelestium herhalen.

Deel III: De voorbereiding van het ontstaan der klassieke natuurwetenschap
Twee stromingen zorgden er in de 15e en 16e eeuw voor dat de wereld drastisch veranderde: het humanisme en de renaissance. Het humanisme greep sterk terug op de Griekse oudheid als inspiratiebron. Daarnaast richtte het zich op de vermogens van de mens zelf om het leven zin te geven, en minder op een goddelijke openbaring. In feite was de impuls hiertoe al gegeven door de Parijse Terministen in de vorige eeuw.
Een aparte plaats neemt Nikolaas van Kues, ook wel Cusanus genoemd, in. In feite liep hij voor op de geschiedenis zoals die zich zou ontwikkelen. Bij de opbouw van zijn metafysisch stelsel gebruikte hij wiskundige begrippen en beschouwingswijzen die zijn tijd ver vooruit waren. Zoals het begrip van het oneindige. Wanneer men een cirkel onbegrensd groot maakt, zal de kromming vanzelf een rechte lijn worden. Voor het redelijke denken van de mens blijven rechte en kromme lijnen tegenstellingen, maar in het absolute (het hogere geestelijke) zijn ze gelijk aan elkaar. Zo zag hij de verhouding van mens tot God. Cusanus borduurde voort op wat Meister Eckhardt al eerder had beschreven, zij het dat Cusanus zich meer verstandelijk oriënteerde en Eckhardt meer gevoelsmatig. Verder benadrukte Cusanus de betekenis van het meten. Alles is in verhoudingen, in getallen, met elkaar te vergelijken. Het woord mens zou ook samenhangen met mensuare, dat meten betekent.
Echter, het werk van Cusanus zou in zijn tijd onbekend blijven en dus van weinig invloed op zijn tijd en omgeving.
De renaissance (= wedergeboorte) gaf een grote opleving te zien van de verworvenheden van de klassieke oudheid. Er waren heel wat ontdekkingen, die van nieuwe continenten, nieuwe inzichten in de astronomie, uitvindingen van de drukpers, het kompas en het buskruit. Het werk van Aristoteles beziet men nu als een achterlijk conservatisme. Niet dat men hem niet bestudeerde. Juist wel, maar men meende met name aan de Noord-Italiaanse universiteiten (waaronder die van Padua) nieuwe wegen in te moeten slaan. Een van die wegen was die van de medische wetenschap.

De aandacht ging in deze tijd veel meer uit naar de praktische ervaring van ambachtslieden. De techniek werd zo tot bron van de wetenschap. De mechanistische wetenschap kreeg meer en meer gestalte. Er waren schilders, beeldhouwers, ingenieurs en architecten die tevens kanalen aanlegden, sluizen bouwden, vestingwerken ontwierpen en nieuwe werktuigen uitvonden. Een belangrijk iemand uit deze periode is Leonardo da Vinci (1452-1519). Zijn uitvindingen en aantekeningen zijn zowel geniaal als ook wat vaag. Hij bekommerde zich minder om wiskundige uitwerkingen. Toch gaf hij al aanzetten tot wat later de gravitatieleer van Newton genoemd zou worden en de relativiteitsleer van Einstein. Een genie was hij zeker.
Ook de school van Jordanus bracht vernieuwingen. Op het gebied van de mechanica wist men bijvoorbeeld wiskundige formules af te leiden voor de hefboomwet. Tegenwoordig is dat de meest eenvoudige wet die men zich kan voorstellen, maar in die tijd worstelde men nog met de toekenning van getallen aan de waargenomen verschijnselen.
De kloof met het gedachtengoed van Aristoteles werd steeds groter. Het verzet tegen hem leidde ertoe dat men experimenten bedacht om zijn stelsel te kunnen weerleggen. De begrippen beweging en valsnelheid werden anders omschreven. Aristoteles beweerde bijvoorbeeld dat een zwaarder voorwerp harder (en dus sneller) naar beneden viel dan een licht voorwerp. Dat bleek niet zo te zijn. Ook de invloed van het medium waarin een voorwerp naar beneden viel veranderde. Van noodzaak tot beweging ging zij over tot weerstand (= wrijving) aan de beweging.
Vanuit de astronomie ontwikkelden zich de goniometrie en de trigonometrie. Bij het tekenen van driehoeken sprak men over verhoudingen van zijden, waaruit de begrippen sinus, cosinus en tangens ontstonden.
Ook kreeg de structuur van materie een andere aandacht. De antieke corpusculairtheorieën herleefden, er ontstond een scherp omlijnde leer van de structuur van een stof en het verloop van een chemische binding. Door Paracelsus (1493-1541) wordt de chemie een hulpvak voor de geneeskunde en krijgt het een doel dat tegelijk nobeler en reëler is dan wat de alchemisten in eerdere tijden nastreefden. Paracelsus stond vijandig tegenover de dan toe heersende autoriteit in zijn vak, getuige het feit dat hij veel geschriften openlijk verbrandde. Hij vertrouwde op zijn eigen kracht en inzichten. Toch liet hij zich wel degelijk, geheel in de geest van de renaissance, beïnvloeden door het neoplatonisme.

Deel IV: De geboorte der klassieke natuurwetenschap
De mechanisering van het wereldbeeld krijgt zijn beslag. Dat wil zeggen, er treedt in de natuurwetenschappen een werkelijke vernieuwing op die tot de huidige moderne ontwikkeling zal leiden. Dit gebeurt zo tussen 1543, het jaar waarin Copernicus zijn De Revolutionibus Orbium Coelestium publiceert en 1687, het jaar waarin Newton's Philosophiae Naturalis Principia Mathematica verschijnt.

Copernicus brengt in het systeem van Ptolemeus twee belangrijke veranderingen aan. Hij neemt aan dat de aarde in beweging is (en dus niet stilstaat als centrum van het heelal) en dat de beweging van de hemellichamen geen eenparige cirkelbewegingen zijn. De aanname dat het wel cirkelbewegingen waren, was voor Plato vanzelfsprekend. Iedere onregelmatigheid zou in strijd zijn met het goddelijke. Copernicus doorbrak dit soort klassieke denken. In feite borduurt Copernicus hiermee voort op het denken van Oresme uit de 14e eeuw. Echter, Copernicus gaf hier een streng wetenschappelijke vorm met zeer gedetailleerde details aan. Ook sprak hij, naast de dagelijkse aswenteling van de aarde, van de jaarlijkse beweging van de aarde om de zon. Deze aanname zorgde voor een sterk vereenvoudigde verklaring voor de beweging van de planeten. Dat was voor Copernicus het doorslaggevende argument dat zijn nieuwe wereldbeeld de juiste was. Probleem bleef echter wel de precessie van de aarde die de seizoenen veroorzaakt, hoe die te verklaren. Daartoe greep Copernicus toch weer terug op Ptolemeus, die hiervoor wel (uiterst ingewikkelde) verklaringen gaf. In die zin leek het werk van Copernicus, behalve in het geven van een andere oplossing van de problemen in wiskundige constructies, toch weer op zijn voorganger, de Almagest van Ptolemeus. Mede omdat Copernicus in zijn voorwoord stelde dat wat hij beweerde slechts hypothesen waren, zag men zijn visie in die tijd nog niet als revolutionair (en dus in strijd met de kerk).

De Deense sterrenkundige Tycho Brahe heeft met verbeterde instrumenten metingen kunnen doen die veel meer alsook veel nauwkeuriger gegevens aanleverden over maan- en planetenbewegingen. Met deze gegevens probeerde hij de stelsels van Ptolemeus en Copernicus zoveel mogelijk te verenigen. Toch had hij wel de overtuiging dat het stelsel van Copernicus in strijd was met het christelijk geloof.
Zijn leerling Johannes Kepler maakte gebruik van de zeer nauwkeurige metingen van Tycho Brahe en construeerde daar nieuwe theorieën uit. Zijn ingeving was, nog altijd analoog aan het gedachtengoed van Plato, dat de planetensferen gevormd moesten worden door regelmatige veelvlakken die de tussenruimten leveren. Maar, met de nauwkeurige meetgegevens van Tycho Brahe kwam hij al rekenend tot geheel andere conclusies. Zijn ingeving moest dus wel verkeerd zijn. Het gevolg was dat het 'goddelijk' patroon werd losgelaten en Kepler tussen 1601 en 1609 zijn Astronomia Nova uitwerkte dat voor een ommekeer in de astronomie zou zorgen. De zogenaamde wetten van Kepler, rekening houdend met een perihelium (het punt dat het dichtst bij de zon is) en een aphelium (het punt dat het verst van de zon verwijderd is), gelden tot op de dag van vandaag.
In woorden laten de eerste twee zich uitdrukken als:
1. Een planeet beschrijft een ellips. In een van de brandpunten van deze ellips staat de zon.
2. De voerstraal zon-planeet doorloopt in gelijke tijden gelijke perken (= oppervlakken).

Kepler's bekende derde wet, die in de hoogste klassen van het VWO wordt behandeld, zou hij zo'n tien jaar later formuleren, in zijn in 1619 verschenen Harmonice Mundi. Deze wet geeft het verband aan tussen omlooptijd en straal. 
Vanuit de oudheid dacht men dat planeten een ziel, dus een intelligentie, hadden. Kepler verving deze ziel door te spreken van een kracht. Planeten waren zodoende levenloze lichamen die zich onderwierpen aan de wetten van de mechanica. De aanzet tot een mechanisering van het wereldbeeld kreeg hier zo zijn beslag**. De wereld van de planeten gedroeg zich eerder als een machine dan dat ze goddelijk bestuurd werd.
Problemen waren er nog wel. Zo liep Kepler onder andere vast bij het begrip traagheid van materie. Hij zocht de oplossing in de magnetische aantrekking die de aarde op voorwerpen zou hebben. Maar hij kwam hier niet veel verder mee.

Maar niet alleen in de astronomie vond deze mechanisering plaats. Onder invloed van onder andere de Vlaming Simon Stevin ***(1548-1620) ontwikkelde de theorie van de mechanica zich in hoog tempo. De krachten werkend op een voorwerp op een hellend vlak wist hij bijvoorbeeld te tekenen met behulp van de parallellogrammethode (nu lesstof in de 4e klas Havo en VWO). Stevin was in belangrijke mate ook een praktijkmens. Hij onderzocht empirisch de valwet van Aristoteles, waarbij hij tot de conclusie kwam dat deze niet opging. Galilei zou dit later verder uitwerken.
Isaac Beeckman probeerde in deze periode een verband van weg en tijd in de valbeweging af te leiden. Hoewel hij een eind op weg kwam, miste hij de wiskundige finishing touch om de traagheid van een voorwerp juist te kunnen formuleren. Wel kwam hij tot de vaste overtuiging dat termen als impetus, vorm en kwaliteit, waar de Griekse oudheid van repte, voorgoed hadden afgedaan.
Van groot belang is de mechanica die de Italiaan Galileo Galilei ontwikkelde. Tussen zijn werken Dialogo (1632) en Discorsi (1638) door maakte hij persoonlijk de overgang van een antiek-middeleeuws naar een klassieke wetenschappelijke manier van denken. Galilei was zodoende de beslissende schakel tussen het oude en het nieuwe denken. Hij beredeneert bijvoorbeeld dat voorwerpen van verschillende zwaarte in vacuüm even hard naar beneden zouden vallen. Verder nam hij de aanname van Copernicus, dat de aarde om de zon draait en niet andersom, als natuurkundige realiteit aan. Maar waar hij zich het meest in onderscheidt van zijn voorgangers was zijn houding ten aanzien van de wereld. Niet het waardoor, of het waartoe, maar het hoe interesseert hem. Hij wil niet verklaren, maar slechts beschrijven. Zo beschrijft hij de verschijnselen van de val, dat ze versneld is, hetgeen leidde tot de kwadratische formule, overigens geheel in overeenstemming met wat Oresme al in de 14e eeuw suggereerde. Toch worstelde ook hij met het begrip traagheid, de eigenschap van materie dat het kracht kost om de snelheid te laten veranderen. Op dit gebied bleef hij nog in het oude denken steken, dat uitging van het streven naar volharding in een cirkelvormige beweging. De natuur zou volgens hem namelijk alles in cirkels doen. Ofwel, de natuur streeft toch altijd weer naar een goddelijke perfectie.
Het werk van Galilei werd door verschillende Italianen verder ontwikkeld, als bekendste door Torricelli. Hij werkte de wet van het hellend vlak verder uit, het krachtbegrip verkreeg meer wetenschappelijke helderheid, tot de Nederlander Christian Huygens een dynamische afleiding van de valwet formuleerde en daarmee een fundament gaf van de moderne klassieke mechanica. Hij legde de basis voor theorieën over de eenparige cirkelbeweging, de uitbreiding van het axioma van Torricelli (dat onderling verbonden lichamen niet uit zichzelf in beweging kunnen komen, wanneer hun gemeenschappelijk zwaartepunt niet daalt), de wetten van de elastische botsing, alsmede de relativiteit van het bewegingsbegrip (waar Galilei ook al onderzoek naar had gedaan). Vooral de wetten van de elastische botsing zijn essentieel voor de ontwikkeling van de mechanica. De belangrijke wet van behoud van impuls volgt hier namelijk uit, al gebruikt Huygens deze term zelf niet (tegenwoordig is dit lesstof in het eerste jaar van de studie natuurkunde aan de universiteit).

Ondertussen was Galilei in een groot conflict terecht gekomen met de kerk. Hij verrichtte waarnemingen met een nieuw soort kijker, waardoor hij onder andere de manen van Jupiter kon zien. Het overtuigde hem van de juistheid van de bevindingen van Copernicus, wat hem ertoe bracht dit openlijk onder de aandacht te brengen. Dit bracht hem in het bekende conflict met de Inquisitie. Het gedachtengoed was al langer bekend, zie bijvoorbeeld Copernicus, maar nu Galilei dit in verband bracht met wat hij daadwerkelijk gezien had (door zijn nieuwe kijker), meende de kerk voor het eerst te moeten reageren. Er kwam een verbod op zijn werk. Zelf kreeg hij een levenslang huisarrest.

In de 17e eeuw ontwikkelden zich naast de zojuist besproken astronomie en mechanica ook de hydrostatica en de geometrische optica. De hydrostatica borduurde voort op Archimedes. Vooral Simon Stevin heeft hier aan bijgedragen en in het verlengde daarvan weer Christiaan Huygens.
Johannes Kepler gebruikte de uitvinding van de verrekijker om tot zijn Dioptrice uit 1611 te komen, wat een herleving betekende voor de geometrische optica. Hij vindt de aanzet tot de brekingswet (die later door Snellius wiskundig wordt vervat) en de zogenaamde lenzenwet.
De Engelsman William Gilbert werpt zich op de leer van het magnetisme. Hij ging uit van waarnemingen, probeerde deze wiskundig te bewerken, waarna hij zijn theorie experimenteel controleerde. Hij maakte onderscheid tussen elektrische en magnetische aantrekking, waardoor er heel verschillende theorieën ontwikkeld moesten worden. Gilbert's belangrijkste werk De Magnete in 1600 heeft op zijn tijdgenoten Galilei en Kepler grote invloed uitgeoefend.
Een andere belangrijke wetenschapper was Francis Bacon (1561-1626), niet zozeer om zijn wetenschappelijke verdiensten, want die waren gering, als wel om zijn groot kritisch vermogen. Het was vooral zijn groot literair talent dat zijn geschriften helder, welsprekend en kernachtig maakte. Hij bepleit een nieuwe methode om kennis te verwerven, namelijk een die gebaseerd is op rationalisme en empirisme.
De Fransman René Descartes (1596-1650) heeft in belangrijke mate de wiskunde en de natuurwetenschap bij elkaar gebracht. Hij wilde de wiskunde tot voertaal van de wetenschap maken, wat in die tijd nog weinig gebruikelijk was. Door het invoeren van de algebra in de geometrie was hij de schepper van de analytische meetkunde. Dit zorgde voor de meest essentiële vernieuwing die de wiskunde ooit had ondergaan.

Ook de corpusculairtheorieën (over deeltjes en materie) ondergingen veranderingen. Het idee dat materie uit kleinste deeltjes, atomen genaamd, bestaat wint langzamerhand terrein. Met name de Fransman Pierre Gassendi (1592-1655) hield zich hiermee bezig. De Engelsman Robert Boyle heeft dit verder uitgewerkt door uit uitgebreide experimenten verschillende nieuwe theorieën te ontwikkelen. Een belangrijke stelregel van hem is: alle eigenschappen van een stof vloeien voort uit de structuur van de verbinding van de onderlinge deeltjes.  
Op het gebied van de pneumatica (de leer van de druk) was de beroemde barometerproef van Torricelli vernieuwend in het wetenschappelijke denken. Voor de eerste keer was de verklaring van de luchtdruk in overeenstemming met andere wetenschappelijke verschijnselen. Essentieel was het feit dat aangetoond werd dat lucht gewicht had en dat er een vacuüm bestond. Met name de Fransman Blaise Pascal heeft hier veel proeven naar gedaan die deze zienswijzen bevestigden. Bijvoorbeeld zijn beroemde bergexperiment (op de Puy de Dôme), waarbij hij op grote hoogte een mindere hoogte van zijn kwikkolom mat, hetgeen voor hem het bewijs was dat de luchtdruk de hoogte van de kolom bepaalde. Immers, hoog in de bergen is de luchtdruk minder, dus de hoogte van de kolom minder. 
In Duitsland was het Otto van Guericke die met zijn befaamde Maagdenburger halve bollen het bestaan van luchtdruk en vacuüm aantoonde, terwijl Robert Boyle op zijn beurt experimenten met een luchtpomp deed die tot zijn bekende theorie over het verband tussen druk en volume zouden leiden.   
In Nederland ontwikkelde Christiaan Huygens (1629-1695) zijn beroemde lichttheorie, waarbij hij aantoonde dat licht uit golven bestond. Ook hield hij zich bezig met de zwaartetheorie, om daar tot de formule van de eenparige cirkelbeweging te komen.

Het is ten slotte de Engelsman Isaac Newton (1643-1727) die het einde van het oude denken inluidt en de mechanisering van het wereldbeeld een definitieve vorm geeft. De aanzet was door vele andere wetenschappers gegeven, Newton is de voltooier. Er was in de tijd van Newton nog een chaos aan termen en denkbeelden. In feite heeft Newton dat allemaal opgeruimd en er heldere nieuwe fundamenten voor geslagen. Het begrip kracht bijvoorbeeld was bij hem niet een oorzaak van beweging (het idee van de ouderwetse impetus), maar een gevolg daarvan. Zijn Principia Mathematica uit 1687 vormt nog altijd de basis van de huidige klassieke natuurkunde. Hij formuleerde de belangrijke bewegingswetten, nu nog altijd de eerste en tweede wet van Newton genoemd. Het gebruikte voor het eerst het woord massa, de hoeveelheid aan materie met als latere eenheid de kilogram. Hij tekende en berekende hoe krachten bij elkaar opgeteld konden worden. Hij vond een formule voor de middelpuntzoekende kracht, beschreef de derde wet van Newton (actie = - reactie), formuleerde de gravitatiekracht tussen hemellichamen met een constante (de gravitatieconstante, die later pas door Cavendish nauwkeurig zou worden bepaald.) Van de hele basis voor ons huidige natuurwetenschappelijke denken (het uitgaan van aardse feiten, niet van vage 'goddelijke' aannames, en deze formuleren in wiskundige termen) heeft Newton de grondslag gelegd. In hem vond de voltooiing van de mechanisering van het wereldbeeld definitief plaats.        


* Dijksterhuis had hier al in 1924 een aparte publicatie aan gewijd.
** Dijksterhuis benoemt dit niet zo, maar in feite vond hier de omschakeling van astrologie (het feit dat het lot van de mens bepaald werd door de planetensferen) naar astronomie plaats. 
*** Dijksterhuis had zich al eerder flink in Simon Stevin verdiept, getuige zijn boek over hem, verschenen in 1943.


Opmerking 1: Dijksterhuis heeft zich in zijn schrijven, zegt hijzelf maar ook zijn biograaf Klaas van Berkel, sterk laten leiden door het werk van de Duitse wetenschapshistorica Anneliese Maier: Die Mechanisierung des Weltbildes im 17. Jahrhundert uit 1938.

Opmerking 2: Om meer zicht te krijgen in de persoonlijkheid van E.J. Dijksterhuis is het aan te bevelen de biografie over hem van Klaas van Berkel te lezen. In zo'n 400 bladzijden geeft deze een minutieus verslag van leven en werk van Dijksterhuis. Zeer lezenswaardige lectuur.


























Reacties

Je ademt, je neusvleugels trillen. Vlinders die op willen stijgen. Je voorhoofd blank en rustig. Ik dek je toe. De sjerp staat mooi om je hals, alsof je hem altijd al gedragen hebt.

Vandaag ga ik je redden. Adem rustig door. Je nachtgewaad, ik draag je, op blote voeten over het natte gras. De auto staat deze ochtend, ons hele leven al ronkend te wachten. We raken de grond niet, zoeven de straten door, gadegeslagen door vroege wandelaars die ons niet begrijpen. Ze weten niet, nee ze weten niet.

Meeuwen krijsen boven de duinen. Zilte lucht waait door je haren. De wielen lopen geduldig vast in het rulle zand. Ik til je op, je ademt nog. Rustig aan, samen zullen we ontsnappen. Er is een mooier wit dan wij kennen. Dat van de schuimende zee, de lauwe golven. 

We zweven weg, gewichtloos op het zout. Niemand zal ons merken. We gaan tezamen, hand in hand. De zon komt op. Je opent je ogen, voor het eerst. Alsof je nog een keer wilt zien, mij wilt zien. Een laatste vermoeide glimlach. We laten elkaar niet meer los, nooit meer los. Het is goed zo, alles wordt nu beter.

Reacties (2)

De smaak van jagende wolken
het onbestemde loeien van de wind
het vergeten detail
dat als een dakpan
van je huis afwaait
de geur van rotting
.

De deur die zonder reden piepend openzwaait
de vloer als vlakte, je overleden moeder
die de kamer binnen golft. 
 
De walm in je kamer, de rusteloze zee
van herinnering, de prikkeling op je tong
je wilt het zeggen, maar je kunt het niet.

De stramheid van je lichaam
de pijn die niet wil komen.





Reacties

“Ga je nog op vakantie?”, vraag ik aan een van oorsprong Turkse leerling.
“Ja, naar Istanbul”.
“Is het daar niet onrustig nu, met al dat gedoe rond Erdogan?”.
“Niet anders dan anders”, zegt ze. “In Turkije is het altijd onrustig”.
Een andere leerling mengt zich in het gesprek. “Nou, ik hoorde dat iemand de gevangenis in moest, alleen omdat hij links is.”
De Turkse leerling lijkt verbaasd. “Mijn moeder en zus zijn ook links, maar die hebben echt nergens last van, hoor”.
We kijken elkaar aan. Huh?
Dan valt het kwartje. We liggen allemaal in een deuk wanneer we beseffen dat ze het woord ‘links’ geïnterpreteerd heeft als de voorkeurshand van schrijven.


Reacties

Je hebt de psychologie van de mens en je hebt de psychologie van de groep. Deze laatste wordt wel sociale psychologie genoemd.
Het feit of iemand zich moreel of immoreel gedraagt, hangt sterk af van de groep waartoe hij behoort of wil behoren. Dat maakt het gedrag van mensen complex. Het zorgt er bijvoorbeeld voor dat mensen die het goed bedoelen toch in de ogen van anderen slechte of verkeerde dingen kunnen doen.
De sociaal psycholoog Naomi Ellemers heeft hier een diepgravend boek over geschreven: Morality and the Regulation of Social Behavior: Groups as Moral Anchors.

Ze beschrijft vier gebieden waarop het onderling mis kan gaan tussen mensen.


1. De moraal voor de ene mens is niet dezelfde als de moraal van de ander. Toch vergelijk je de ander op hetzelfde niveau als waar je zelf staat. Dat kan voor flinke botsingen zorgen. Vaak betreft dit morele, strikt persoonlijke kwesties. Zoals verschillende visies op euthanasie, religie of andere ethische zaken. Wanneer ben je eerlijk naar jezelf toe en wanneer niet? Dat is voor iedereen verschillend. Wat voor de een volstrekt aanvaardbaar is, kan voor de ander de grootste zonde zijn. Acceptatie van een andere visie, die wellicht geheel indruist tegen die van jou, kan een eerste stap zijn om die ander toch te ontmoeten. 

2. Identificatie met de groep waartoe jij behoort. Dat wat de groep doet, voelt alsof jij dat zelf doet. Dat kan een prettig effect hebben. Als jouw voetbalclub kampioen wordt, ben jij zelf een beetje kampioen. Het vergroot je geluksgevoel. Andersom, als jouw groep ellende veroorzaakt, voel jij je ook een beetje schuldig, ook al kun je er persoonlijk niets aan doen. Denk aan de Duitsers die nog altijd de last van de Tweede Wereldoorlog met zich meedragen. Of de herinnering aan het slavernijverleden waaraan Hollanders in het verleden mee deden. Of, op kleinere schaal, de schaamte wanneer een familielid negatief de pers haalt. Het gevoel dat de familie-eer is aangetast.

3. Het gekleurd kijken naar je eigen gedrag. Je bent gauw geneigd te ontkennen wat je zelf niet goed hebt gedaan. In plaats daarvan wijs je misschien op mensen die het nog slechter doen. Alsof dat jouw eigen falen vergoelijkt. Er is een bekend bijbels gezegde: wel de splinter in het oog van de ander zien, maar niet de balk in het eigen oog. Je bent over het algemeen moreel gezien strenger tegen de ander dan tegen jezelf. Dat te doorzien is al heel wat.

4. Misschien het belangrijkste aspect, er is een gelaagdheid van de moraal. Een ieder bevindt zich op een verschillend bewustzijnsniveau, met als gevolg dat een ieders moraal ook anders is. Dit maakt de omgang tussen mensen bijzonder ingewikkeld. Van iemand die op hetzelfde niveau als jij zit, kun je veel hebben. Als ie af en toe wat sjoemelt met zwart geld, ach dat doe jij ook wel eens. Of een leugentje om bestwil, op zijn tijd moet dat kunnen. Je zult de ander er niet over aanspreken. Maar, indien het een hoogstaand iemand betreft, een gezagsdrager of een morele autoriteit, dan reageer je  anders. Je bent verontwaardigd dat juist hij zo handelt, dat had je van hem niet verwacht. Ook anderen, die in jouw ogen qua moraliteit ver beneden jou staan, zoals beroepscriminelen en terroristen, roepen jouw weerzin op. Hoe kunnen mensen tot zoiets in staat zijn, denk je al gauw.

Wat ook voorkomt is dat iemand zo veel morele integriteit uitdraagt, dat je het gevoel hebt daar niet aan te kunnen tippen. Dit roept jaloezie op, afgunst. Het liefst wil je die ander onderuit halen. Wat in feite betekent, je wilt hem terugbrengen naar jouw niveau, zodat je elkaars gelijken bent. Dit gebeurt onbewust, vandaar dat de effecten vaak zo sterk zijn. We hebben het niet door.
Een voorbeeld is moeder Theresa, die onder de armsten der armen in India werkte. Veel mensen adoreren haar en haar levenswerk, evenveel anderen beschimpen haar, noemen haar egoïstisch, te streng in de leer met haar ideeën over abortus etc. Ze is een omstreden figuur, juist vanwege haar hoge moraliteit.
Andere mensen die idealistisch werk verrichten hebben ook last van deze jaloerse kritiek. Denk aan organisaties als Greenpeace, milieudefensie, het COC, die krijgen elke dag weer bakken met rottigheid en soms zelfs bedreigingen over zich heen. Echt leuk is dat niet.

Zelf heb ik de ervaring toen ik eind jaren zeventig van de vorige eeuw besloot geen vlees meer te eten en alleen nog maar onbespoten groente. Opeens kwam er van sommige, vaak wat oudere mensen een behoorlijke hoeveelheid agressie mijn richting op. Zonder dat ik er om vroeg, een discussie aanging of wat dan ook. Ik begreep dat toen niet. Maar kennelijk voelden zij zich door mijn nieuwe levenshouding aangevallen. Alsof hun manier van leven dan 'minder goed en zuiver' zou zijn. Toen voelde ik dit niet aan, nu kan ik het plaatsen.

We voelen ons het meest op ons gemak te midden van mensen die hetzelfde denken en voelen als wij zelf. Daar ervaren we veiligheid, daar voelen we ons niet bedreigd. Maar, dat maakt het wel moeilijk om te veranderen. Het zorgt er ook voor dat we snel en gemakkelijk kritiek hebben op mensen die tot de 'andere groep' behoren.
Die balk in onze eigen ogen, ja daar kijken we zo gauw langs. Als een sneltrein schiet die elke dag weer aan ons voorbij.







Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl