Weblog van Fred Tak
Laatste artikelen

Deze week zagen we het ontslag van minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra. In de kunstwereld zullen weinig mensen daar rouwig om zijn. Sterker, de manier waarop hij zo'n 8 jaar geleden het mes zette in veel kunstsubsidies, zal iedereen nog lang heugen. Met sardonisch genoegen liet hij toen weten zelf niets met kunst te hebben. Hijzelf luisterde bijvoorbeeld naar muziek van de hardrockband Metallica of las detectives van Ludlum. Kunst is voor de elite, zo liet hij toen ongeveer doorschemeren.
Ikzelf volgde zijn uitspraken en ongelooflijke bezuinigingen toen op de kunstensector met afgrijzen. Niet eens vanwege de bezuinigingen zelf, maar door de schofferende toon die hij bezigde. Er was een volstrekte afwezigheid van empathie. Hier was een ambitieuze, nietsontziende politicus bezig aan een opmars naar, ja naar wat eigenlijk?

Nu hij diep gevallen is, slaat de kunstensector natuurlijk terug. Schrijver/dichter Ilja Leonard Pfeijffer publiceerde gisteren een sonnet in NRC Handelsblad, gewijd aan deze Halbe Zijlstra. De haat is in elke regel voelbaar. Illustratief voor hoe deze politicus later herinnerd zal worden.


Ingehouden proestend sonnet
waarin minister Halbe Zijlstra zijn
ontslag indient

Want Halbe, man o man, wat gun ik hem
vernedering en hoon om datsjagate.
Die likkebaardend in de kunsten sneed,
asielzoekers verweet met ferme stem

dat zij voor borstvergrotingen naar Nee-
derland gekomen waren, het gevaar
van kleurenpieten zag, kwam 's avonds klaar
op zijn als pin-up opgeprikt cv.

De Halbe die een hele wilde wezen,
kwam door zijn eigen ijdelheid ten val:
de spiegel stuk, het kaartenhuis in as.

Op straat zal hij nu worden nagewezen
terwijl men 'datsja' proest en niemand zal
geloven dat hij ooit belangrijk was.

13 februari 2018






Reacties

Carnaval wordt in Nederland voornamelijk onder de grote rivieren gevierd. Met name in Noord-Brabant en Limburg is het volksfeest nummer één, met voorbereidingen voor de bont opgetuigde praalwagens die al in september beginnen. Je kunt zeggen dat het daar massaal leeft, hoewel andere regio’s dit feest tegenwoordig ook steeds meer omarmen.
Het is een oud traditioneel feest dat in katholieke landen uitbundig wordt beleefd en ondergaan. Denk aan een stad als Rio de Janeiro die jaarlijks honderdduizenden carnavalstoeristen trekt.

Gaan we ver terug in de tijd, dan zien we dat een dergelijk feest al in de Bronstijd werd gevierd, getuige Zweedse rotstekeningen uit 1600 voor Christus. Ook de Grieken vierden het, zo’n 500 jaar voor het begin van onze jaartelling, in hun grote Dionysusfeesten begin maart. Deze feesten bestonden uit gezongen opvoeringen op toneel, vrolijke optochten door de straten van de steden, vol dans, wijn en gezang. Dionysus was de god van de wijnbouw en fruitteelt. Het begin van de wijnbouw wordt gezien als de eerste vorm van beschaving. Het bracht mensen tot elkaar.
Kenmerk tijdens zo’n optocht was dat men zich verkleedde, een masker droeg, om zodoende het doorgeefluik te kunnen zijn van de godenwereld. De mens zelf moest hierbij op de achtergrond blijven. De goddelijke wereld moest via de ‘doorgang’ mens de aarde uit haar winterslaap tot nieuw leven wekken.

De Romeinen vierden op 1 maart zowel een nieuwjaars- als een lentefeest. Maart was toen de eerste maand van het jaar. Dit kun je nog zien aan de namen september tot en met december (septem = zeven, octo = acht, enzovoort). De Romeinen namen de Griekse traditie over en lieten tijdens de optochten het beeld van Dionysus in een schip op wielen langs de menigte rijden. Dit vormde het ontstaan van de ‘scheepswagen’, de ‘carrus navalis’, waaruit het woord carnaval waarschijnlijk is samengetrokken. Echter, waar in de Griekse beleving sprake was van een dienstbaar zijn aan de goden, daar verdween Dionysus bij de Romeinen al gauw naar de achtergrond en werd carnaval tot het grote zottenfeest zoals wij dat nu nog kennen. De verkleedkleren en maskers dienden niet langer om de bescheidenheid van de mens uit te drukken, maar om bizarre en lachwekkende gestaltes te kunnen vertonen. Zo verwerd het oorspronkelijk godsdienstige carnaval tot een ogenschijnlijk weinig verheven volksvermaak.

De middeleeuwse kerk heeft geprobeerd carnaval weer godsdienstig te maken door dit feest te koppelen aan de vastentijd, de periode van onthouding die geldt als voorbereiding op het feest van Pasen. Dikke dinsdag heette in sommige streken de dinsdag van carnaval, gevolgd door Aswoensdag, de eerste dag van de Vastentijd.
Deze traditie is behouden gebleven, behalve dan dat carnaval met ruim drie dagen is uitgebreid, zodat nu een heel lang weekeinde ‘doorgehaald’ kan worden.

Bij het bepalen van de datum van carnaval wordt er gerekend vanuit Eerste Paasdag. Paaszondag is, volgens het Concilie van Nicea (325 n. Chr.), de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente (21 maart). De Vastentijd begint veertig dagen voor Eerste Paasdag, waarbij de zes zondagen in deze periode niet als vastendag meetellen. De eerste dag van carnaval valt dan zes weken voor Eerste Paasdag. Carnaval begint officieel op zondag.

In de maand februari neemt het aantal uren zon neemt snel toe. Voorzichtig dient het leven zich aan, in sneeuwklokjes, in ontluikende krokussen en in de eerste kieviten boven de weilanden. Maar het meeste leven houdt zich nog verborgen. Het is immers nog winter.
Dit brengt een stille angst met zich mee. Zal het nieuwe leven uitkomen en gaan we een vruchtbaar jaar tegemoet, of zullen de levenskrachten niet sterk genoeg zijn om door de aardkorst heen te breken? In februari begint dit zichtbaar te worden. Het is een spannende periode in de natuur, waarbij een eerste glimp merkbaar is van de strijd die in de week voor Pasen zo’n rol zal spelen.
De naar boven gerichte kiemkracht en de naar beneden de grond in gerichte natuur kruisen elkaar hier. Het sterkst zien we dit bij de bomen. In februari, de sprokkelmaand, verliezen zij hun dode takken om zodoende ruimte te geven aan de groei van nieuwe loten en twijgjes. Dit is een typerend beeld: het loslaten van het oude, het dode, om ruimte te maken voor het nieuwe leven. Dit beeld herkennen we bij carnaval.

Om dit zichtbaar te maken, keren we even terug naar de oorsprong van het carnavalsfeest.
De maskers zoals de Griekse en Romeinse toneelspelers die droegen, heetten in het Latijn personae. Dat is afgeleid van het woord per-sonare, wat ‘erdoorheen klinken’ betekent. Ons woord persoon is hiervan afkomstig, en aldus te herleiden tot een masker, een masker dat vroeger het geestelijke leven door de mens heen kon laten klinken. Men beleefde de eigen identiteit toen als afkomstig van de goden.
Tegelijk was dit leven aan gene zijde het rijk waar de gestorvenen naartoe gingen, het dodenrijk. Het masker dat men opzette, fungeerde daardoor tevens als dodenmasker. Het dragen van zo’n dodenmasker gaf de mens bij uitstek de mogelijkheid zich met ‘het dode in zichzelf’ uiteen te zetten. Door zich te verkleden, te dansen, te springen, gek te doen, schudde de mens in zijn beleving de angst voor de dood van zich af.

De huidige carnavalsvierders doen in feite niet anders. Door te feesten schudden ze hun eigen  ‘dode takken’ eraf en creëren zo de ruimte om weer fris en nieuw het leven op te pakken.
Die ‘dode takken’ zijn in feite onze verharde buitenkanten. Die hebben we allemaal, carnavalsvierder of niet. Het is belangrijk dat te erkennen. Het gevaar van een al te serieus leven is dat men zozeer opgaat in het eigen gelijk dat men zich verschanst achter de eigen oordelen en vooroordelen. De buitenkant is dan een pantser dat de innerlijke motieven juist tegenhoudt.

Loslaten, daar gaat het om met carnaval, overgave aan de beleving. Als dit ons lukt, bijvoorbeeld in een uitgelaten feest vol zang en dans, en dat hoeft niet eens carnaval te zijn, dan kunnen we merken hoe er nieuwe ruimte in onszelf ontstaat. Niet zoals bij de Grieken van bovenaf afkomstig, want dat was een andere tijd. Nu gebeurt het van binnenuit, alsof we het oude leven afleggen en het nieuwe leven in onszelf vrijmaken. Dit geeft energie, zin om de draad weer op te pakken. Wellicht voelen we de lente tintelen, voelen we hoe het nieuwe in en om ons heen gestalte probeert te krijgen. We leven het leven, we plukken de dag.


Uit: Fred Tak - Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, Christofoor, september 2017











Reacties

Er is een heuse rel ontstaan omtrent het beroemde schilderij Hylas and the nymphs (uit 1896) van de schilder John William Waterhouse (1849-1917). Van het waarom schrok ik in eerste instantie. In de nasleep van de #MeToo-discussie werd door de curator van het museum te Manchester, waar het schilderij hangt, gesteld of dit schilderij met zoveel vrouwelijk naakt nog wel tentoongesteld mag worden in onze tijd. Vrouwen zouden op deze manier als object gezien worden, was het argument. Reden om hier eens een stevig debat aan te wijden.

  

      Hylas and the nymphs - John William Waterhouse


Voor het oog van de camera's werd het doek in de kelder opgeslagen. Met de zaal waar het schilderij hing, 'Op jacht naar schoonheid', waar vooral vrouwelijk schoon te zien was, afkomstig uit de esthetische droomwereld van de Engelse Prerafaëlieten, had curator Clare Gannaway zelf al grote moeite.  'Voor mij persoonlijk speelt er schaamte mee dat we dit niet eerder hebben aangepakt', aldus Gannaway. 
Gelukkig is het schilderij na een korte week weer op zijn oude plek teruggehangen. Het museum hoopt dat de discussie nu op gang kan komen.

Even een persoonlijk verhaal. Ik ben al jarenlang een groot fan van de Engelse Prerafaëlieten. Dit is een kunststroming uit de 19e eeuw die zich als verlengstuk zag van de Italiaanse schilder Rafaël, vandaar de naam. Waar het kan bekijk in hun schilderijen, zoals in Tate Gallery te London, waar ook een enkel schilderij van Waterhouse hangt. Of overzichtstentoonstellingen zoals die in 2002 in het Rijksmuseum te Amsterdam. Prachtig was die, ik heb daar al eerder over geschreven.
Mijn favoriete Prerafaëliet is Dante Gabriël Rossetti, gevolgd door John Everett Millais en John William Waterhouse. De zachte vrouwelijkheid van hun schilderijen bevalt mij zeer. Het is een beetje gothic, zou je tegenwoordig zeggen, een beetje duister, maar met een lieflijke saus overgoten.

De nu aangezwengelde discussie is tamelijk eng en onzinnig, lijkt mij. Moet kunst van vroeger verboden worden omdat het volgens bepaalde minderheden in onze tijd aanstoot zou geven? Dat riekt naar censuur. Dit verwacht je eerder in Noord-Korea, Iran en Afghanistan dan in het 'vrije westen'.
De politiek correcte wind die momenteel door Europa en de VS waait is opvallend. Vrouwelijk bloot mag kennelijk niet meer. Ter herinnering: in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw liepen bijna alle vrouwen topless over het strand. Dat is nu wel even veranderd. In bushokjes mag tegenwoordig zelfs geen reclame meer te zien zijn van vrouwen in ondergoed. Dat zou te veel stigmatiseren. Zo zijn er veel andere voorbeelden van toenemende preutsheid. Mensen lijken in dit opzicht bang en schuw te zijn geworden.

In het algemeen, er lijkt steeds meer aandacht te komen voor bepaalde overgevoeligheden bij bepaalde minderheden. Want oh, wat is men bang om te discrimineren, op ras, op geslacht, op van alles eigenlijk. In het bijzonder, wat is men bang voor racist uitgemaakt te worden. De mainstream doet er alles aan om deze vermeend negatieve houding van ons witte mensen tegen te gaan. Dus, aandacht voor degenen die zich onderdrukt voelen.
Zo blijken massa's gekleurde, in Nederland wonende mensen uit het Caraïbisch gebied nog dagelijks te lijden onder het slavernijverleden van hun verre, verre voorouders*. Telkens wanneer ze een straatnaam zien van één van onze voormalige zeehelden, gaat er een schok door hen heen. Of nog erger, het zien van een standbeeld van hen, het is niet te verdragen. Dus is er nu de discussie om die standbeelden en straatnamen weg te halen. Veel blanke Nederlanders, in hun ijver om vooral geen racist te zijn, gaan hierin mee.
Ook de Zwarte-Piet-discussie is hiertoe te herleiden. De hulp van Sinterklaas wordt sinds zo'n zeven jaar ineens als onderdrukte slaaf gezien. Sinterklaas is dan de blanke overheerser (= slavendrijver). Zelfs de stoomboot wordt in dit licht gezien als oorspronkelijk transportmiddel om de slaven te vervoeren. Tja, wanneer je de oorspronkelijke symboliek niet meer aanvoelt, en alles door de bril van racisme en slavernij wilt zien, kun je ook niets anders zien. Je gaat er in geloven. Hierover een discussie voeren is dan onmogelijk. Daar komt niemand nog uit. De geest is uit de fles en kan er nooit meer in.

Zo ook bij deze hele #MeToo-discussie. De vermeende kwetsbaarheid van vrouwen schiet (naar mijn idee) helemaal door. De tegenwoordige hang naar politieke correctheid maakt elke nuance en redelijke discussie onmogelijk. Het zijn voornamelijk emoties die een rol spelen. Die emoties moeten natuurlijk serieus genomen worden, dat wel. Maar ook direct tot hun juiste proporties teruggebracht. We moeten niet vervallen tot slachtofferschap en zielig doen.
Dus, vrijheid van denken, vrijheid van tentoonstellen. Laat de geschiedenis zijn zoals die was. Ga die niet vervormen naar maatstaven uit onze tijd. Pas die niet aan. Laat schilderijen in hun waarde. De waarde zoals die in die tijd gold. Het kan toch niet zo zijn dat we straks bijvoorbeeld alle schilderijen van Rubens in kelders opsluiten, misschien zelfs vernietigen? Alleen omdat een paar overgevoelige feministes dit als een aanval op hun tere zieltjes ervaren? Nee, ik denk van niet.
  

*Het is maar de vraag of hun verre voorouders daadwerkelijk slaven waren. Veel mensen uit Afrika afkomstig handelden zelf in slaven. Het verleden zit complexer in elkaar dan men vaak veronderstelt.



Reacties

De natuurkunde, zoals die ontwikkeld is vanaf de 17e eeuw, heeft onze manier van leven drastisch veranderd. Door voor het eerst natuurkundige verschijnselen in wiskundige termen te beschrijven, kon de mens steeds meer heerser worden over de hem omringende natuur. Door die wiskunde kon hij processen uitrekenen, voorspellen en reproduceren. De Industriële Revolutie was het gevolg. Machines namen steeds meer het fysieke werk van mensen over.
De basis hiervoor werd in het jaar 1687 gelegd door Isaac Newton. Hoewel hij voortborduurde op hetgeen andere natuurkundigen hadden ontdekt en ontwikkeld* (waaronder Galileo Galileï en Simon Stevin), wist hij als eerste  de natuur van krachten en beweging (de mechanica) via wiskundige formules vast te leggen. Dit worden de wetten van Newton genoemd. Nog altijd zijn deze de basis van onze huidige natuurkunde.

De toepassing van deze mechanische manier van denken gaat nog altijd door. Niet alleen in de industrie (de lopende band), maar ook dichter bij huis. Nog maar 60 jaar geleden deden huisvrouwen de wekelijkse was op de hand. Daar was men een hele dag mee bezig. Maandag wasdag, heette het. Tegenwoordig gooit men een aantal keren per week de was in de wasmachine. Wat een verschil, wat een besparing van tijd. Hetzelfde geldt voor de stofzuiger, de vaatwasser etc.

Maar misschien vond de grootste verandering plaats halverwege de 19e eeuw. De ontdekking en toepassing van elektriciteit betekende een totaal andere manier van leven. Elektrische verlichting maakte de mens minder afhankelijk van het dag- en nachtritme, er kon over grote afstanden gecommuniceerd worden (telegraaf, telefoon), gereisd (trein en metro), en even later werd de radio uitgevonden.
Er was een minder bekende, maar bijzonder groot natuurkundige die de wiskundige grondslag voor alle verschijnselen rond elektriciteit heeft beschreven: James Clerk Maxwell. Deze Schot formuleerde in het jaar 1864 zijn maxwellvergelijkingen: 20 formules met 20 variabelen. Alle verbanden tussen elektriciteit en magnetisme werden hier op geniale wijze in ondergebracht. Later heeft men deze vergelijkingen tot vier basisformules teruggebracht. Ze zijn bijzonder ingewikkeld en gelden nog altijd; er is geen speld tussen te krijgen. 

Echter, de theorieën van Newton en Maxwell bleken op één punt niet in overeenstemming met elkaar te brengen. Volgens Newton zouden snelheden van voorwerpen ten opzichte van elkaar altijd bij elkaar opgeteld moeten worden. Bijvoorbeeld, iemand zit in een trein die met een snelheid van 120 km/h vooruit gaat. Hij besluit een tennisbal met een snelheid van 60 km/h in voorwaartse richting te gooien. De snelheid van de tennisbal ten opzichte van het stilstaande landschap waar de trein doorheen rijdt is dan 120 + 60 = 180 km/h.
Dit doortrekkend zou dan de snelheid van een lichtbundel van bijvoorbeeld een zaklantaarn in de trein dan een snelheid opleveren van: snelheid van het licht + 120 km/h. Dus voor het stilstaande landschap (ietsje) sneller dan het licht zelf.
Maar uit de vergelijkingen van Maxwell kwam steeds één constante naar voren: de lichtsnelheid. Sneller dan het licht kan niet, volgens zijn wetten. Dus klopt òf Newton niet, òf Maxwell zat verkeerd. Dit zorgde eind 19e eeuw voor een grote impasse binnen de natuurkunde.
Onze eigen Lorentz probeerde dit te verklaren uit de afname van lengte (de zogenaamde lengtecontractie) bij voorwerpen met hoge snelheid. Hij ging hierbij nog uit van een ether, een onzichtbaar medium waar de elektromagnetische straling zich in voortplantte. Maar elke poging om deze ether aan te tonen mislukte.

Totdat in het jaar 1905 een werkloze, ogenschijnlijk weinig getalenteerde natuurkundige de wereld op zijn kop zette door een nieuw begrip te introduceren: de ruimtetijd als vierde dimensie. Hij ging uit van een aantal belangrijke aannames: de ether bestaat niet en de lichtsnelheid is onder alle omstandigheden constant. Waarmee hij met zijn laatste aanname het gelijk van Maxwell onderschreef. Zijn naam: Albert Einstein.

De mechanica van Newton werd aangepast voor grote snelheden. De tijd blijkt relatief te zijn, met andere woorden af te hangen van de snelheid van een voorwerp: de Relativiteitstheorie was van nu af aan een begrip. Verder bleken tijd en ruimte aan elkaar gekoppeld te zijn, in de vorm van ruimtetijd.
Maar Einstein was een lui iemand. Hij volstond met zijn verklaringen in de vorm van gedachtenexperimenten. Deze waren natuurlijk geniaal en ook totaal nieuw onder natuurkundigen, maar echt experimenteel onderzoek (de basis van alle natuurkunde) heeft hij nooit gedaan. Ook de wiskundige onderbouwing van zijn eigen relativiteitstheorie boeide hem weinig. Het was zijn voormalige docent wiskunde Minkowski** die dit voor zijn rekening nam. De zogenaamde Minkowski-diagrammen waarin de ruimtetijd inzichtelijk wordt gemaakt, worden nu nog altijd gebruikt.
Nog weer later (tussen 1905 en 1915) heeft Einstein de Algemene Relativiteitstheorie ontwikkeld. De ruimte bleek in de buurt van een grote massa (als de zon) gekromd te zijn. Massa en energie konden in elkaar omgezet worden. Ook hier weer, geniaal bedacht, maar wiskundig kwam hij al gauw vast te zitten. Zijn goede vriend, de wiskundige Marcel Grossman, heeft hem toen geholpen om er uit te komen.
Maar de naam van Einstein was gevestigd: hij geldt voor menigeen als het grootste genie dat ooit geleefd heeft. Dat was hij ook, op een speciale manier. Echter, bescheiden was hij niet. Want ook hier geldt: hij stond op de schouders van reuzen. En de twee grootste reuzen waren Newton en Maxwell.



* Een bekende uitspraak van Newton is: "Als ik verder heb gezien dan anderen, komt dat doordat ik op de schouders van reuzen stond." 

** Minkowski was hogelijk verbaasd dat zijn oud-leerling zulke belangrijke ontdekkingen had gedaan. Hij had dat nooit van zo'n luie hond verwacht, schijnt hij meermaals gezegd te hebben.







Reacties

Gisteravond (31 jan. 2018) was er in De Rode Hoed in Amsterdam de prijsuitreiking van de Turing gedichtenwedstrijd 2017. Er waren ruim 8300 inzendingen. De beste 100 gedichten zijn gebundeld in het boekje Goudlicht en avondschijn.

Van mijzelf staan er dit jaar twee gedichten in. Ik was van tevoren gevraagd mijn gedicht Ik hou van kou op de avond zelf voor te dragen. Wat natuurlijk een grote eer was/is.

Andrea van Pol (bekend van televisie) was de presentatrice. Ze deed dat origineel en leuk. Vol humor ook. Er werden 12 gedichten vertoond, soms voorgelezen door iemand van de jury, soms via een van tevoren opgenomen video, en een aantal keren, zoals in mijn geval, door de dichter het zelf te laten voorlezen.
Ik werd door Andrea van Pol aangekondigd als een natuurkundige uit West-Friesland. Ze vroeg mij op het podium wat de overeenkomsten waren tussen dichten en natuurkunde. Het is allebei 'out of the box' durven denken, antwoordde ik. En, hoe breng je evenwicht tussen deze twee? Eh, niet dus, zei ik zo ongeveer.
Het voorlezen was best wel spannend, zo voor een kritisch gehoor van collega-dichters. Toch wel heel wat anders dan voor een vertrouwde groep leerlingen of studenten natuurkundestof staan uit te leggen.
Hieronder mijn gedicht:

Ik hou van kou

Ik hou van kou:
in oorlogsgebieden vliegen vrouwen en kinderen                                                                                
dan toch beduidend minder hoog
de lucht in.

Hun landing is ook zachter;
de lucht is korter, minder.

Er zit geen doel
in alweer een stapel ledematen.

Soms praat ik terug
tegen de verslaggever op tv,
hij kan er natuurlijk ook niets aan doen
tussen alle rookgordijnen

vertel ik hem, in vertrouwen
dat ik mijn hoofd in onschuld leg
als de kop van een vogel in eigen veren

wachtend op de winter
die dit land, zonder grenzen
op zal lichten, knisperend in de sneeuw.


    
          De dichter zelf, aan het voordragen


Helaas belandde mijn gedicht niet in de top 3. Dus niet met een geldprijs naar huis. Ach, dat had ik ook niet verwacht. Het was al mooi om er met twee gedichten bij te zijn. Nummer 1 (10.000 euro!) werd Jean-Paul Rosenberg met het gedicht
Laatste foto van de vrede. Ik denk wel een terechte winnaar.

Hieronder de recensie van de jury van mijn gedicht Ik hou van kou:
Dit gedicht sprak mij direct aan vanwege het directe engagement. Het deed me enigszins aan de Syrisch-Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun denken die in zijn werk ook onverbloemd over ledematen en het uitblijven van steun, begrip en angst van anderen om het geweld te bespreken. Het hoofd in onschuld leggen tussen de veren als een vogel en het geweld willen negeren is een prachtige omschrijving van het weg willen kijken en hopen op betere tijden.

Het andere gedicht van mij dat in de top 100 eindigde heet
Zicht.


Zicht

Er hangt iets in de lucht
nog zonder naam
een witgrijs gordijn met

duizenden ogen
die vanuit het open veld
ons aanstaren als
koeien in de mist, zonder poten

wachtend.

In de polder, tussen mensen
overal zetten wij ramen neer
om elkaar te zien
niet aan te hoeven raken.

De wereld komt stap voor stap
in barsten naar ons toe.

Zullen we vandaag heel stil zijn
elkaars hand vasthouden
niet meer tevoorschijn komen?





























Reacties (2)

We zagen je vaak geduldig broeden 
op zachte ogen en een luisterend oor.

We wisten ook
van
de opgevouwen vogels in je hoofd.

Slechts af en toe
vloog er één je mond uit
in een korte kwinkslag
zingend als een merel in de ochtend;
het was genoeg voor ons
om dagenlang te mijmeren.

Er is verdriet, we zijn je kwijt
in handen rust en stil gevouwen
maar kijk omhoog
de vogel die daar fladdert
daar ben jij
en daar ook, en daar ook.

Ondertussen zijn er hele zwermen
dansend in de lucht
ben jij overal om ons heen

rennen we met z'n allen
driftig zwaaiend langs de vloedlijn
zien we jou juichen
van andere continenten, eindelijk bevrijd zijn.





Reacties

Zoveel mensen, zoveel visies, zoveel meningen over hoe het leven in elkaar zit. Aan diversiteit geen gebrek. De werkelijkheid is persoonsgebonden, weet men in de filosofie sinds Nietzsche: de hoeveelheid te verdragen werkelijkheid is voor iedereen anders, afhankelijk van hoeveel waarheid men aankan.
De totale werkelijkheid te bevatten is onmogelijk, daar is iedereen het wel over eens. We kijken allemaal door een soort van brievenbus naar buiten en zien dat als werkelijkheid. Wat daar buiten valt zien we niet. Maar we weten niet wat we niet zien.
Grappig en tegelijkertijd veelzeggend is dat veel specialisten hun brievenbusuitzicht extrapoleren naar de gehele wereld zoals die kennelijk is. Ze maken zo hun 'kortzichtige' visie tot een alomvattende filosofie van de mens en de wereld. Voorbeelden te over.

Neurologen als Dick Swaab constateren uit onderzoek dat ons brein al besluiten heeft genomen voordat onze hersenen daadwerkelijk actief kunnen zijn. Hun conclusie is dat al ons denken en handelen daarom voortkomen uit ons brein. Wij zijn ons brein, zegt Dick Swaab letterlijk. In ons brein ligt alles al vast, bij de geboorte al, in de complexe samenstelling van atomen en moleculen waar wij uit bestaan. Kun je die 'lezen', dat kun je het leven van de desbetreffende mens voorspellen. Een vrije wil bestaat niet. Alles is brein, het hele leven is brein, of we het nu leuk vinden of niet.

Evolutiebiologen als Richard Dawkins beweren dat de mens een machine is die door steeds weer nieuwe aanpassingen aan uiterlijke leefomstandigheden steeds succesvoller is geworden. De onderdelen van deze machine zijn atomen en moleculen, verstopt in onze genen. Het vermogen tot aanpassing en verandering vindt plaats door middel van mutaties in de genen. De mens wordt geboren, dat wil zeggen eicel en zaadcel met hun verschillende genen komen bij elkaar, de mens leeft een tijdje en gaat dan weer dood. Behalve dat de mens een machine is, is er niets. De rest is illusie. Er is geen doel, behalve dan de soort in stand houden. Opvallend is dat deze visie ontstaan is in de tijd dat het meeste fysieke werk van mensen door machines is overgenomen.
Ook het ontstaan van het leven op aarde wordt zo verklaard. Bepaalde atomen en moleculen kwamen onder bepaalde omstandigheden in een soort van oersoep met elkaar in aanraking en er was opeens leven. Eerst nog eenvoudig in de vorm van eencelligen, maar al gauw ingewikkelder.

Gelovige mensen denken dat zij geschapen zijn door God. Hoe dat precies in zijn werk is gegaan weten zij niet: dat is nu juist hun 'geloof'. God heeft hen op de wereld gebracht.
Voor hen is alles God. De Bijbel, waarin God's woord geschreven staat, is hun bron en houvast. Teleurstellingen zijn beproevingen van God afkomstig. Succes wordt gezien als een beloning van God. God's wegen zijn ondoorgrondelijk: dat helpt het leven aanvaarden zoals dat zich voordoet. Bidden helpt daarbij: dat is rechtstreeks vragen om gunsten en verlichting. Het leven ligt in God's handen. Of zoals iemand dat een keer uitdrukte: "De mens is slechts een pluisje op de hand van God". De hemel is waar zij uiteindelijk belanden, als een soort van opname, voor altijd veilig in God's handen. Tot in eeuwigheid, amen. Een geruststellend idee, natuurlijk.

In ons computertijdperk zijn er mensen die denken dat de mens een computer is. Dus is de mens met slimme technologie na te maken. Kwestie van goed analyseren en detecteren hoe al onze atomen en moleculen samenwerken en voor activiteiten zorgen. Onze hersenen zijn hiervoor het uitgangspunt. Artificial intelligence wordt al op veel universiteiten onderwezen. Men gaat ervan uit dat in de toekomst zelflerende computers in de vorm van robots het van de mens zullen overnemen. Zelfs machtiger kunnen worden dan de mens en deze zo tot slaaf kunnen maken. Hetgeen een groot gevaar inhoudt. Wetenschappers als Robbert Dijkgraaf waarschuwen hier al voor.

Zo zijn er nog vele andere visies die geëxtrapoleerd naar de hele wereld nogal eenduidig en simplistisch overkomen. Zoals het idee van the survival of the fittest, dat grote invloed had op de verspreiding van het marktmechanisme in het economische verkeer, in de tijd dat het Darwinisme steeds meer voet aan de grond kreeg. Of het geloof in het bestaan van ufo's en aliens, in de tijd dat de mens door middel van telescopen, raketten en ruimteschepen het universum ging verkennen.

Zelf laat ik alle opties zoveel mogelijk open, mij ervan bewust zijnde dat ook ik door een brievenbus naar buiten kijk. Ik weet niet wat ik niet weet*, ik zie niet wat ik niet zie. Alles kan, alles is mogelijk, zoals de wetenschapsfilosoof Paul Feuerabend dat verwoordde. Laten we openstaan voor alles wat we niet begrijpen. Laat de verwondering ons resten.


*Alleen de dichters weten wat ze niet weten, begint het gedicht Credo van Hans Andreus. Maar ook dat is natuurlijk niet waar, ha. Al begrijp ik wel wat hij hiermee bedoelt.





Reacties (2)

Richard Feynman opperde in 1981 voor het eerst het idee dat je de bizar vreemde eigenschappen van de quantummechanica kunt gebruiken om ingewikkelde berekeningen te doen. Achteraf kun je stellen dat dit de geestelijke geboorte was van de quantumcomputer. De tegenwoordig gebruikte pc (= personal computer) moest toen nog op de markt komen. Dat gebeurde in 1983. Richard Feynman had een vooruitziende blik.
Niet dat de quantumcomputer nu al bestaat. Oh nee, hij verkeert nog in een beginstadium van ontwikkeling. Maar dat ie er aan komt, staat vast. Het kan 10 jaar duren, hooguit 20 jaar, maar de quantumcomputer zal de wereld veroveren en een nieuwe digitale revolutie veroorzaken.

Wat onderscheidt de toekomstige quantumcomputer van de huidige gewone computer? Daartoe moeten we eerst de quantummechanica induiken. Twee verschijnselen zijn daar van essentieel belang, namelijk superpositie en verstrengeling. Het bizarre is dat wij deze twee zo belangrijke verschijnselen niet kunnen begrijpen, verklaren of aanvoelen. Ze zijn in volstrekte tegenspraak met de ons bekende omringende wereld, in de natuurkunde uitgedrukt door middel van de wetten van Newton. Toch bestaan ze, getuige de uitkomsten van experimenten. Maar, deze uitkomsten zijn zo onlogisch dat iedereen hier afhaakt. Elke natuurkundige legt zich hier bij neer. Kennelijk is er een grens aan onze manier van de wereld begrijpen. Richard Feynman zei ooit: "Degene die beweert dat hij quantummechanica begrijpt is òf gek, òf hij liegt."

Superpositie
In de ons bekende wereld zijn plaats en getal duidelijk gedefinieerd. Iemand kan maar op één plek tegelijk zijn. Gewone computers werken met een 0 en een 1. Er zijn bij één bit dus twee mogelijkheden. Bij twee bits heb je vier mogelijkheden, bij drie bits acht etc.

In de quantummechanica, die opgaat voor het gebied van de kleinste deeltjes zoals elektronen, is dat allemaal heel anders. Daar zijn ingenieuze experimenten mee gedaan. Het begint met het beroemde dubbele spleet experiment van Thomas Young uit 1801. Toentertijd wist hij hiermee aan te tonen dat licht een golfkarakter had. Achter de twee spleten ontstonden immers op een scherm interferentiepatronen. De verschillende lichtgolven versterkten elkaar of doofden elkaar uit.
In 1961 deed Claus Johnson ditzelfde experiment met elektronen in plaats van met licht. Elektronen zijn deeltjes, maar ook nu ontstond er op het scherm achter de twee spleten een interferentiepatroon. Kennelijk kunnen elektronen elkaar versterken of uitdoven, hetgeen zou aantonen dat elektronen ook een golfkarakter hebben. De Broglie had dit al in 1924 geopperd, maar nu werd het experimenteel bevestigd. Overigens is uit dit gegeven de tegenwoordig veel gebruikte elektronenmicroscoop ontwikkeld. Deze maakt het mogelijk duizend keer zo scherp waar te nemen als met de gewone lichtmicroscoop (die haar begrenzing vindt in de grootte van een lichtdeeltje, zo'n 300 tot 700 nm).
Echter, het kon nog vreemder. Tot dan toe dacht men dat elektronen met elkaar interfereerden. De golven van het ene elektron zouden die van de ander versterken of uitdoven. Maar, het tweespletenexperiment dat in 1974 door drie Italiaanse fysici* werd uitgevoerd zette ook deze wereld op zijn kop. Ze vuurden nu steeds één afzonderlijk elektron op de twee spleten af. Op het scherm verscheen ook nu een interferentiepatroon! Dat betekent dat één elektron kennelijk met zichzelf kan interfereren. Daartoe moet ie door de twee spleten tegelijk zijn gegaan. Dus, op een bepaald moment was ie op twee plaatsen tegelijk. Dit tegelijk op meerdere plaatsen tegelijk aanwezig zijn komt door de zogenaamde superpositie. Dit is kort samengevat, het zich bevinden in verschillende toestanden tegelijk. In de gewone wereld kennen wij dit niet, in de quantummechanica komt dit veelvuldig voor.  

Verstrengeling
Kleine deeltjes zoals elektronen blijken verstrengeld te zijn, dat wil zeggen, ze delen quantumeigenschappen met naburige deeltjes. Bijvoorbeeld, wanneer het ene elektron linksom om zijn as tolt, dan tolt het andere elektron rechtsom om zijn as. Op een bepaalde manier vullen ze elkaar aan en sluiten ze elkaar uit. Ze vormen als het ware één systeem. De natuurkundige Wolfgang Pauli heeft hier duidelijke regels voor opgesteld die in de praktijk altijd opgaan (het zogenaamde Pauli-verbod). Weet je de informatie van het ene deeltje, dan ligt de informatie van het andere deeltje vast. Zodra je waarneemt, dat wel. Vòòr de waarneming bevinden de deeltjes zich in allerlei toestanden tegelijk, volgens de zojuist besproken superpositie. Waarneming betekent dat je één toestand overhoudt en de rest kwijt bent. Maar dan ligt de verstrengelde toestand ook vast. Zo kun je informatie los van tijd en ruimte overbrengen. Teleportatie, wordt dit ook wel genoemd, hoewel er feitelijk geen materie wordt verplaatst zoals bij de tv-serie Startrek, maar alleen nog informatie.

Die verstrengeling vindt overal plaats, maar op grotere schaal is ze zo ingewikkeld en zijn er zoveel verbanden dat we er in de praktijk niets van merken. Ze heffen elkaar als het ware op. Alleen op kleine schaal, bij individuele deeltjes, speelt het een zodanige rol dat we er gebruik van kunnen maken.

Deze combinatie van superpositie en verstrengeling bepaalt nu de rekenkracht van de quantumcomputer. Deze is onnoemelijk veel groter dan die van een gewone computer. Door de superpositie is er niet langer sprake van een 0 of een 1, maar van een 0 en een 1 tegelijk. Zo'n bit van een quantumcomputer heet een qubit. Door de verstrengeling gaan de diverse qubits op een ingewikkelde manier samenwerken, waardoor de rekenkracht vergroot wordt met een factor 2n, waarbij het getal n staat voor het aantal bits. Met andere woorden: een quantumcomputer met 1000 bits kun je vergelijken met een klassieke computer met 21000 = bijna oneindig aantal mogelijkheden.

De laatste tien jaar is er veel vooruitgang geboekt in het ontwikkelen van de quantumcomputer. Nederland loopt hierbij voorop. Met name op de TU Delft, de TU Eindhoven en de Radboud Universiteit Nijmegen vindt baanbrekend onderzoek plaats. Hoe de quantumcomputer precies vorm zal krijgen, is onduidelijk. De Nederlander Leo Kouwenhoven experimenteert in Delft met de zogenaamde majoranadeeltjes, Leo Hanson (ook in Delft) probeert elektronen in diamant te vangen door in het rooster een putje te creëren, anderen doen het met behulp van siliciumtransistoren, weer anderen met twee minuscule platen waar elektrische lading kan worden opgeslagen.
Er rijzen nog talloze problemen voordat de eerste echt werkende quantumcomputer er zal zijn. Bij voorbeeld, door de verstrengeling kan informatie niet tussentijds gelezen worden. Alle gegevens zouden in één keer vernietigd worden. Hoe los je dat op? Ook de grootte van de toekomstige quantumcomputers zijn een probleem. Ze hebben fysiek veel ruimte nodig. Denk daarbij aan een opslagplaats als een grote schuur. Individuele mensen zouden dan daarop in kunnen loggen, werkend als in een soort van cloud.
Daarnaast, quantumcomputers hebben zoveel rekenkracht dat alle codes (die gebaseerd zijn op algoritmes van priemgetallen), wachtwoorden etc. zo gekraakt kunnen worden. Dat vraagt om een nieuw soort beveiliging. Een quantumbeveiliging, waar overigens sommige overheden en bedrijven al mee bezig zijn. Zij voorzien echt wel de chaos die op korte termijn kan ontstaan.
Hoe het zich ook ontwikkelt, boeiend blijft het. Een nieuwe techno-revolutie, hij komt eraan.


* In 2002 is dit experiment door de lezers van het vakblad Physics World uitgeroepen tot het mooiste natuurkunde-experiment allertijden


Literatuur: De Quantumcomputer - George van Hal

















Reacties

Jagende wolken
een loeiende wind
het vergeten detail dat als een dakpan
van je huis afwaait, de geur van rotting.

Een deur die zomaar
piepend openzwaait, de vloer als vlakte
de golf die jou zonder aarzeling in zijn armen neemt.

De galm in je hoofd, de brandende
zee van herinnering, de prikkeling op je tong
je wilt het zeggen, maar je doet het niet.

De stramheid van je lichaam
de pijn die alsnog komt.



Reacties

We kennen allemaal de traditionele kerncentrales. Daarin wordt energie opgewekt uit uranium. Om preciezer te zijn, uranium-235 (een isotoop van het veel in de natuur voorkomende uranium-238) wordt beschoten met neutronen, waardoor dit atoom uiteenvalt in verschillende kleinere brokstukken. Bij dit uiteenvallen komt (heel veel) energie vrij. Hoe dit kan? Doordat de brokstukken bij elkaar opgetild minder massa (dus minder materie) bevatten dan het oorspronkelijk uraniumatoom. Deze afname van massa betekent toename van energie volgens de beroemde formule van Einstein: E = mc2

Een groot voordeel van een traditionele kerncentrale is dat er geen uitstoot is van schadelijke stoffen. Geen CO2, geen zwaveldioxiden, geen stikstofoxiden, geen roet, geen fijnstof, niets. Wel heeft een traditionele kerncentrale twee grote nadelen: er is een kans op explosiegevaar ten gevolge van een meltdown en er is het probleem van het afval dat nog tienduizenden jaren radioactief is. Daarnaast is de hoeveelheid uranium in de natuur beperkt.

In de jaren zestig van de vorige eeuw heeft men zich bezig gehouden met het ontwikkelen van een thoriumcentrale (in het Amerikaanse Oak Ridge, Tennessee). Het was een kleine demonstratiecentrale. Hier werd het element thorium, dat zelf niet splijtbaar is, beschoten met langzame neutronen. Hierdoor ontstond uranium-233 dat wel splijtbaar is. Met ook hier uiteindelijk het uiteenvallen in verschillende kleinere brokstukken waar heel veel energie bij vrijkomt. Om hier een idee van te krijgen: een bolletje van één centimeter doorsnede thorium levert ongeveer evenveel energie als een miljoen kubieke meter aardgas.

Echter, door bij deze thoriumcentrale gebruik te maken van vloeibare zoutmengsels in plaats van de hoge druk zoals bij een traditionele uranium-kerncentrale was er geen kans op een meltdown. Als hier de temperatuur te hoog werd, stopte het proces vanzelf. Een probleem als dat in Fukushima in 2011 (of Tsjernobyl in 1986) kon hier dan ook niet plaatsvinden.
Een ander voordeel was dat het afval slechts nog zo'n 300 jaar radioactief is (en niet tienduizenden jaren zoals bij uranium-235). En, thorium komt in de natuur veel meer voor dan uranium. Ook niet onbelangrijk.  

Waarom is dit succesvolle experiment dan toch niet doorgezet en op grote schaal toegepast?
Hier zijn twee redenen voor. De eerste is dat men in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen men voor het eerst experimenteerde met het gebruik van thorium als brandstof, nog weinig kennis had omtrent de te bouwen thoriumcentrale. Van uranium en plutonium wist men toen veel meer af. Vandaar dat men toen kerncentrales ging bouwen met uranium en plutonium als brandstof.
De tweede is dat het type kerncentrale voor thorium fundamenteel anders gebouwd is dan die voor uranium en plutonium. De huidige conventionele kernreactor (die dus werkt op uranium en plutonium) werkt met een drukwaterreactor, de thoriumcentrale zoals gezegd met gesmolten zout. Dat vraagt een totaal andere techniek van bouwen. De kosten zijn veel hoger. Vandaar dat men in de jaren zestig voor de huidige centrales heeft gekozen. Achteraf misschien jammer dat men toen de verkeerde afslag heeft genomen, zoals veel natuurkundigen dat noemen, maar in die tijd te begrijpen. De investeringen zouden erg hoog zijn geweest, de onzekerheid of het een succes zou worden ook.

Heden ten dage nieuwe thoriumcentrales bouwen is geen gemakkelijke zaak. Het vraagt om grote investeringen. Toch is er een toenemende groep mensen die zich hiermee bezighoudt. Zo is er sinds twee jaar de Stichting Thorium MSR als pleitbezorger van onderzoek naar een type kerncentrale dat thorium gebruikt in plaats van uranium. De afkorting MSR staat voor Molten Salt Reactors.
In Petten wordt al geëxperimenteerd met het bestralen van thorium in zout. De demonstratiecentrale van Oak Ridge uit de jaren zestig van de vorige eeuw dient hier als voorbeeld. Het centrum, dat een zogenoemde hogefluxreactor heeft, krijgt voor drie jaar een subsidie van 5 miljoen euro van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Dat is natuurlijk een goede zaak. Toch blijft alles wat met kernenergie te maken heeft, politiek gezien moeilijk te verkopen, zeker in Nederland. De anti-kernenergielobby is hier nog altijd sterk vertegenwoordigd.

Dat zonne- en windenergie nooit in onze totale energiebehoefte kunnen voorzien, kun je eenvoudig uitrekenen. Van de vervuilende fossiele brandstoffen moeten we op termijn af, daar is iedereen het ook wel over eens. Het meest aantrekkelijk blijft natuurlijk een kernfusiereactor. Oneindig veel brandstof (deuterium en tritium dat in zeewater zit), geen vervuiling, niets. Maar technisch, door de nodige zeer hoge temperaturen, nog niet haalbaar. Tot die tijd zou het nuttig zijn om thoriumcentrales te bouwen, ook al kost dat veel geld. In India en China heeft men daar wel oren naar. De verwachting is dat men daar rond 2050 de eerste thoriumcentrales operatief kan laten werken. Voor India is dit extra aantrekkelijk, omdat zich daar in de grond zo'n 30 % van de totale hoeveelheid thorium op aarde bevindt.




Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl